Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het procesverloop
wijze waaropin de vaststelling van vakantie wordt voorzien, maar alleen op de
vaststellingvan de dagen/periode waarop/waarin vakantie dient te worden opgenomen. Indien dat niet is gebeurd in de arbeidsovereenkomst of in de toepasselijke CAO met betrekking tot de dagen/periode waarop/waarin vakantie wordt gevraagd, dan geldt dat, indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, schriftelijk aan de werknemer gewichtige redenen (die zich tegen vaststelling van aanvang en einde van de vakantie overeenkomstig de wensen van de werknemer verzetten) heeft aangevoerd, de vakantie is vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer.
4.De bespreking van het cassatiemiddel
NJ2005/270 (Oz/Roozen) heeft de Hoge Raad aangegeven welke maatstaf de rechter dient aan te leggen met betrekking tot de aan een bewijsaanbod in hoger beroep te stellen eisen. Deze maatstaf, onder meer herhaald in HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, luidt als volgt:
NJ2015/426 nog toegevoegd dat de partij die het bewijsaanbod doet, voorts niet ertoe gehouden is om toe te lichten in welk opzicht de verklaringen van niet eerder gehoorde getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen.
gentlemen’s agreement) op de hoogte.
Kamerstukken II1997/98, 26079, 3, p. 6-7) het volgende aan:
Kamerstukken II1998/99, 26079, 3, p. 10) vermeldt het volgende: