Conclusie
eerste middelvalt in drie klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat anderen “tezamen en in vereniging” [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven hebben gebracht (waaraan de verdachte medeplichtig zou zijn geweest). De tweede klacht, bezien in samenhang met de toelichting, borduurt daarop voort en luidt dat de bewijsconstructie dan ook met betrekking tot de medeplichtigheid niet voldoende helder is gemotiveerd. De derde klacht houdt in dat het bewezenverklaarde onjuist is gekwalificeerd.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 402 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (verder: SvStM) “heeft verzuimd te antwoorden op een of meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging”, waarbij wordt verwezen naar de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte, de verklaring van de getuige [betrokkene 2] en het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7].
Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 7] en [verbalisant 6]
een traan tatoeage onder zijn oog. (Zie ook verklaring [getuige 3]) Verbalisant [verbalisant 7] geeft aan dat zij die bewuste nacht een vechtpartij heeft waargenomen. Zij probeerde de vechtersbazen uit elkaar te halen. Het lukte haar om de vechtersbazen uit elkaar te halen. Hierna liep zij naar haar auto. Kort hierna zag zij een man in rood shirt met een wapen. Deze man heeft geschoten. Nadat hij zou hebben geschoten liep deze schutter naar de binnenplaats van de Francis bar. De schutter probeerde weer te schieten maar dit lukte niet. Hij stapte in een witte auto en reed weg.”
derde middel komt op tegen de motivering van de strafoplegging, nu de verdachte is veroordeeld tot dezelfde straf als hem eerder werd opgelegd wegens medeplegen van doodslag.
Oplegging van straf