ECLI:NL:PHR:2018:595

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2018
Publicatiedatum
11 juni 2018
Zaaknummer
16/06243
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 SrNAArt. 1:114 SrStMArt. 1:115 SrStMArt. 3 lid 1 Vuurwapenverordening 1930Art. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep op noodweer(exces) bij politieambtenaar die dodelijk schoot in Sint Maarten

De verdachte, een politieambtenaar, werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens doodslag en overtreding van de Vuurwapenverordening 1930. Het hof oordeelde dat de verdachte op 4 maart 2015 in Sint Maarten met zijn dienstwapen op korte afstand op de borst van het slachtoffer had geschoten, wat leidde tot diens overlijden.

De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, stellende dat de verdachte werd omsingeld en bedreigd door meerdere personen, waaronder het slachtoffer en diens broer met een bijl. Het hof erkende een noodweersituatie, maar verwierp het beroep omdat het handelen van de verdachte disproportioneel was: hij had kunnen wegrijden, het wapen kunnen tonen of niet gericht schieten. De verdachte overschreed de grenzen van noodzakelijke verdediging door gericht te schieten terwijl het slachtoffer geen zichtbaar wapen had.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof de proportionaliteit en subsidiariteit correct heeft toegepast en dat de verdachte, gelet op zijn opleiding en positie, hogere eisen aan zijn handelen moest stellen. Ook het beroep op noodweerexces faalt omdat niet aannemelijk is dat het disproportionele handelen het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding.

Verder faalden de overige cassatiemiddelen over de motivering van het hof en de bewezenverklaring omtrent het voorhanden hebben van een vuurwapen. De Hoge Raad wijst op het concordantiebeginsel en bevestigt dat de strafrechtelijke regels van Nederland ook in Sint Maarten gelden. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling wegens doodslag en vuurwapenbezit blijft in stand.

Conclusie

Nr. 16/06243 A
Zitting: 12 juni 2018
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij vonnis van 7 december 2016 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) wegens 1. “doodslag” en 2. “overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van Pro de Vuurwapenverordening 1930” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Voorts heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer gelast van het in beslag genomen vuurwapen.
Namens de verdachte heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het Hof het aangaande feit 1 gedane beroep op noodweer(exces), zonder antwoord te geven op enkele uitdrukkelijk door de verdediging onderbouwde standpunten, op ontoereikende gronden heeft verworpen.
Ten laste van de verdachte – een politieambtenaar – heeft het Hof (onder 1) bewezenverklaard:
“dat hij, op 4 maart 2015 te Sint Maarten, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, met een pistool, een of meerdere kogel(s) afgevuurd op [slachtoffer] , daarmee treffend/verwondend [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
5. Het Hof heeft het beroep op noodweer(exces) als volgt samengevat en verworpen:

“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

Rechtvaardigingsgronden
Ter verdediging is aangevoerd dat de verdachte uit noodweer zou hebben gehandeld. Aan dat verweer is - verkort en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat er een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte was, hierin bestaande dat de auto waarin de verdachte zich bevond, voorafgaande aan het schieten op bedreigende wijze omsingeld was en belaagd werd door een groep van meerdere personen, waardoor de verdachte niet kon wegrijden, dat het latere slachtoffer [slachtoffer] met een hand in of onder zijn kleding verborgen naast de auto de verdachte verbaal stond te bedreigen, dat diens naast hem staande broer daarbij de verdachte met een bijl bedreigde en dat [slachtoffer] het portier aan de bestuurderszijde bij verrassing heeft geopend, dat de verdachte zich op dat moment ernstig bedreigd voelde, er geen tijd restte om een waarschuwingsschot af te geven of zijn wapen anders te richten en dat hij vanuit de positie waarin hij zich bevond, geen andere manier had om zichzelf te verdedigen dan door met zijn dienstwapen gericht te schieten.
Bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) gaat het Hof uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals daarvan blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting.
De verdachte heeft in het kader van de uitoefening van zijn functie als politieagent een keer te maken gehad met het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hem op dat moment verbaal bedreigd. Op de bewuste dag arriveerde de verdachte rond 17:00 uur in Belvedere om zijn vriendin [betrokkene 1] op te halen. Op het moment dat zijn vriendin vanuit haar woning naar zijn auto liep, kwam ook het slachtoffer aangelopen die iets tegen [betrokkene 1] zei. Blijkens de verklaring van de verdachte stond het latere slachtoffer op een gegeven moment aan de passagierskant van de auto en werd door hem iets geroepen. [betrokkene 1] voorkwam toen dat de verdachte het raam naar beneden kon doen. Het slachtoffer stond even later aan de bestuurderskant van de auto. De verdachte deed op dat moment zijn raam halverwege omlaag en hoorde dat het slachtoffer hem aan het bedreigen was.
Hierbij zou de verdachte het slachtoffer zijn vuurwapen hebben getoond met de mededeling dat een van de kogels daarin voor hem was bedoeld. Vervolgens reed de verdachte samen met zijn vriendin weg.
Later op die dag is de verdachte weer naar Belvedere gereden om zijn vriendin thuis af te zetten. Zij bleven nog even in de auto zitten praten. Na enige tijd kwam het slachtoffer weer bij de auto. Het slachtoffer bleef blijkens de verklaring van de verdachte een paar meter voor de auto van de verdachte staan en deed alsof hij een wapen afschoot. Kort daarna liep het slachtoffer weg en kwam hij iets later terug met anderen. De verdachte verzocht op dat moment zijn vriendin meermalen om uit de auto te stappen, hetgeen zij aanvankelijk weigerde. Terwijl hij de bijrijdersportier opende om [betrokkene 1] uit te laten stappen, kwamen er meerdere mannen bij zijn auto staan. Nadat [betrokkene 1] haar woning was binnen gegaan, gingen de mannen rond de auto van de verdachte staan. Er werd op dat moment op zijn auto geslagen en er werden bedreigingen geuit. De broer van het slachtoffer had daarbij een schop of een bijl in zijn handen. Naar de lezing van de verdachte kon hij op dat moment niet meer wegrijden zonder over iemand heen te rijden. De verdachte heeft zijn teamleider gebeld en om versterking gevraagd, en heeft zijn dienstwapen op zijn schoot gelegd. Op enig moment stond het slachtoffer aan de bestuurderskant van de auto, terwijl hij de verdachte bleef bedreigen. Ook de broer van het slachtoffer stond op dat moment aan de bestuurderskant van de auto achter het slachtoffer met de bijl in zijn handen. De motor van de auto waarin de verdachte reed draaide en de auto stond in de eerste versnelling en niet op de handrem. Vervolgens werd plotseling het portier van de auto door het slachtoffer opengetrokken, waarna de verdachte zijn dienstwapen heeft gepakt, dat heeft doorgeladen en daarmee van korte afstand op de borststreek van het slachtoffer heeft geschoten en hem dodelijk heeft getroffen.
Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden voor de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daaronder is onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag waarvoor het Hof zich ziet gesteld is of de verdachte, toen hij met een vuurwapen op het slachtoffer schoot, heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. In het vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, acht het Hof aannemelijk dat sprake was van een noodweersituatie, in die zin dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Er stonden immers meerdere agressieve mannen vlakbij de auto waarin de verdachte zich bevond, er werd op zijn auto geslagen en er werden bedreigingen geuit door onder meer het slachtoffer die de verdachte al langere tijd bedreigde. Toen het slachtoffer plotseling de bestuurdersportier open trok, terwijl zijn broer achter hem stond met een bijl of een schop in zijn hand, was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Echter, daargelaten de vraag of er voorafgaand aan dat moment een reële en redelijke mogelijkheid bestond om zich aan die dreigende aanranding te onttrekken, is het Hof van oordeel dat het handelen van de verdachte op dat moment disproportioneel is geweest.
Op het betreffende moment waren er andere minder ingrijpende mogelijkheden voor de verdachte om de dreigende aanranding af te weren. Zo had de verdachte het vuurwapen kunnen tonen aan het slachtoffer, niet gericht op het slachtoffer kunnen schieten of gas kunnen geven om weg te rijden. Uit de verklaringen van de getuigen [getuigen] blijkt dat de auto van de verdachte op dat moment niet dusdanig was omsingeld dat de verdachte niet weg kon rijden. Dit volgt ook uit de verklaring van zijn vriendin die verklaarde dat zij de verdachte vanuit haar woning heeft gebeld om te zeggen dat hij weg moest rijden. Van de verdachte, van wie op grond van zijn opleiding en training als politieambtenaar verwacht mocht worden om - ondanks de omstandigheden waarin hij verkeerde - in staat te blijven afgewogen beslissingen te nemen, mocht worden gevergd dat hij een andere keuze had gemaakt dan op het slachtoffer te schieten. Door met een vuurwapen op korte afstand gericht op de borst van een man, die op dat moment geen zichtbaar wapen in handen had te schieten, heeft de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
Het bewezenverklaarde is strafbaar nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.
Schulduitsluitingsgronden
Ter verdediging is nog aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedsbeweging, die ontstaan is door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.
Het Hof acht, nu op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting daarvoor concrete aanknopingspunten ontbreken, niet aannemelijk geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande dreiging van een wederrechtelijke aanranding en waaraan hij geen weerstand behoefde te bieden. Het beroep op noodweerexces wordt derhalve eveneens afgewezen.
De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.”
6. Het feit is begaan op 4 maart 2015. Op dat moment was in Sint Maarten nog het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen (hierna: SrNA) van kracht, waarvan art. 43, voor zover in cassatie van belang, luidde (PB NA 2010, no. 16):
"1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. 2. […]
3. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van eene hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.”
7. Bij Landsverordening van 13 december 2012 is op 1 juni 2015 een nieuw Wetboek van Strafrecht van Sint Maarten (verder: SrStM) in werking getreden (AB Sint Maarten, 2013, no. 2). Het bepaalde van art. 43 SrNA Pro (oud) is, in iets andere bewoordingen maar materieel onveranderd, overgeheveld naar de artikelen art. 1:114 en Pro 1:115 SrStM, die voor zover hier van belang als volgt luiden:
Artikel 1:114
“1. Niet strafbaar is een gedraging:
[…];
b. geboden door de noodzakelijke verdediging tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van de dader zelf of een ander;
[…].”

Artikel 1:115

Niet strafbaar is hij die een gedraging pleegt:
[…]
c. die door het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging door een wederrechtelijke aanranding veroorzaakt, de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van hem of een ander overschrijdt;
[…].”
8. In het overzichtsarrest van HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
NJ2016/316, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad met betrekking tot noodweer het volgende overwogen: [1]
“3.1.2. Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.
Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
(…)
Geboden door de noodzakelijke verdediging
3.5.1. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.
Zeker bij deze eisen kan de persoon van degene die zich op noodweer beroept, van belang zijn. Van de ene persoon mag bijvoorbeeld op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander.
Noodzaak van verdediging en onttrekkingsvereiste
3.5.2. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Ook bij een aanranding van anderen kan zich het geval voordoen dat men zich niet behoefde te onttrekken aan de aanranding. Bovendien kan iemands hoedanigheid – bijvoorbeeld die van politieambtenaar of van een op basis van art. 53 Sv Pro optredend persoon - hier van belang zijn.
Verdediging moet geboden zijn
3.5.3. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist.”
9. De toelichting op het middel legt de nadruk op de overweging van het Hof dat de verdachte disproportioneel heeft gehandeld. Betoogd wordt dat het schieten met het vuurwapen voor de verdachte de enige manier was om zich te verdedigen.
10. Bij de proportionaliteitstoets staat vooral de waardering van de omstandigheden van het geval centraal. [2] Het gaat, zoals ook uit het hiervoor aangehaalde overzichtsarrest van de Hoge Raad blijkt, om de verhouding tussen het verdedigingsmiddel en de ernst van de aanranding. [3] Daarbij is van belang welk rechtsgoed wordt bedreigd en met welke intensiteit. [4] De precieze manier van verdedigen behoeft niet de beste te zijn, beslissend is of de manier van verdedigen (het verdedigingsmiddel) niet in wanverhouding staat tot de ernst van de aanranding. [5] Bovendien geldt dat van personen die een speciale kwaliteit bezitten en over specifieke capaciteiten beschikken – zoals de politieambtenaar [6] – een bijzondere zorgplicht en derhalve een grotere verantwoordelijkheid verwacht mag worden. Deze Garantenstellung werkt doorgaans door in de rechtsbeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, in die zin dat in voorkomende gevallen te dien aanzien aan de betrokkene hogere eisen worden gesteld dan aan de gemiddelde burger en er mitsdien strenger getoetst zal worden.
11. De feiten en omstandigheden, die door het Hof zijn vastgesteld, houden – kort weergegeven – het volgende in. De verdachte heeft een keer eerder met het slachtoffer te maken gehad, toen in de uitoefening van zijn functie als politieagent. Op de bewuste dag was er eerst een kort incident: het slachtoffer liep naar de auto waarin de verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] zaten, en bedreigde de verdachte. De verdachte toonde daarbij het slachtoffer zijn vuurwapen en liet hem weten dat een van de kogels daarin voor hem bestemd was. Vervolgens reed de verdachte weg. Later op de dag bracht de verdachte [betrokkene 1] naar huis. Het slachtoffer kwam weer bij de auto en deed, op een paar meter afstand, alsof hij een wapen afschoot. Het slachtoffer liep weg, maar kwam korte tijd daarna terug met anderen. De verdachte liet [betrokkene 1] uitstappen. Op dat moment kwamen er meerdere mannen bij zijn auto staan. Er werd op de auto geslagen en er werden bedreigingen geuit. De verdachte belde zijn teamleider om versterking te vragen en legde zijn dienstwapen op zijn schoot. Op enig moment trok het slachtoffer het bestuurdersportier open, terwijl zijn broer achter hem stond met een bijl of een schop in zijn hand. De motor van verdachtes auto draaide en stond in de eerste versnelling (en niet op de handrem). Vervolgens werd plotseling het portier door het slachtoffer opengetrokken. Daarop pakte de verdachte zijn dienstwapen, laadde dit door en schoot daarmee van korte afstand op de borststreek van het slachtoffer.
12. De vraag is of in de onderhavige omstandigheden de gedraging als verdedigingsmiddel – het op korte afstand met een vuurwapen schieten op de borststreek van het slachtoffer – niet in een onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Op grond van hetgeen het Hof heeft vastgesteld meen ik dat het (niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigende) oordeel van het hof dat weliswaar sprake was van een noodweersituatie maar dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen aangezien het handelen van de verdachte op het bedoelde moment disproportioneel was omdat de gedraging van de verdachte niet geboden was en er andere minder ingrijpende mogelijkheden ter afwering waren – de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit hangen sterk met elkaar samen en zijn niet altijd haarscherp van elkaar te onderscheiden [7] – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. Daarbij heb ik in aanmerking genomen de niet onbegrijpelijke overweging van het hof dat (i) blijkens getuigenverklaringen de verdachte had kunnen wegrijden (de auto stond, naar het Hof heeft vastgesteld, reeds in de eerste versnelling) of eerst zijn vuurwapen had kunnen tonen dan wel niet gericht op het slachtoffer had kunnen richten en (ii) in het licht van de Garantenstellung van de verdachte ook mocht worden verwacht dat hij zo’n andere keuze had gemaakt.
13. Het Hof heeft voorts niet aannemelijk geacht dat de aanranding van de zijde van het slachtoffer bij de verdachte een zodanige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt dat diens (disproportionele) handelen daarvan het onmiddellijke gevolg is geweest.
14. In het reeds genoemde overzichtsarrest van 22 maart 2016 heeft de Hoge Raad ten aanzien van noodweerexces het volgende overwogen:
“Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien: a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.”
15. Kenmerkend voor noodweerexces is dat de grenzen van noodweer worden overschreden. [8] In de eerste plaats betekent dit dat er hoe dan ook een noodweersituatie moet zijn (geweest). Het Hof heeft vastgesteld dat daarvan in de onderhavige zaak sprake is. In de tweede plaats dient de overschrijding redelijk te zijn, bij de beoordeling waarvan de aard en de intensiteit van de gemoedsbeweging een rol speelt. Het onderhavige geval dient te worden geplaatst in de situatie die de Hoge Raad in het overzichtsarrest onder a. beschrijft (zie hierboven onder 14). Als gevolg van de hevige gemoedsbeweging gebruikt de noodweergerechtigde een te excessief middel of past hij het middel te intensief toe. [9] Voorwaarde voor straffeloosheid van de dader is wel dat de gedraging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, terwijl deze hevige gemoedsbeweging op haar beurt weer moet zijn veroorzaakt door de aanranding (een dubbele causaliteit dus). [10]
16. Gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 17 november 2017 en de aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota zijn geen duidelijke omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de gedraging van de verdachte (het op korte afstand schieten op de borst van het slachtoffer) het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die zou zijn veroorzaakt door de aanranding. [11] Het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen hetgeen de verdediging daaromtrent op de terechtzitting van het Hof naar voren heeft gebracht en dat er geen verklaringen zijn die de enkele stelling van de verdediging ter terechtzitting, inhoudende dat de verdachte in grote angst zou hebben verkeerd en in een reflex zou hebben gehandeld, ondersteunen.
17. Voor zover het middel klaagt dat de motivering van het Hof niet voldoet aan de eisen die art. 402, tweede lid, SvStM (tekstueel overeenkomend met art. 359, tweede lid, Sv) aan de weerlegging van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt stelt, miskent het dat het hier een verweer betreft waarop ingevolge art. 401, derde lid, SvStM bepaaldelijk moet worden beslist. Voor die beslissing geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin, en niet de tweede volzin, van art. 402, tweede lid, SvStM. [12]
18. Het middel faalt.
19. Het
tweede middelklaagt dat het Hof het beroep op noodweer(exces) onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen doordat het de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit strafbaar heeft geacht op grond van een groot aantal, deels door de verdediging betwiste, feiten en omstandigheden zonder daarbij de bewijsmiddelen aan te wijzen waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend.
20. Voor de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat geen steun in het recht vindt de opvatting dat de feiten en omstandigheden waarop de rechter zich beroept bij de weerlegging van een beroep op een strafuitsluitingsgrond uit de gebezigde bewijsmiddelen moeten volgen dan wel dat de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn verwerping het wettige bewijsmiddel aangeeft waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Aldus HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4459,
NJ2006/371, die daaraan toevoegt dat art. 359, tweede lid, Sv dit niet anders maakt. Hetzelfde heeft te gelden voor (het materieel gelijkluidende) art. 402, tweede lid, Sv Sint Maarten.
21. Het middel faalt.
22. Het
derde middelklaagt dat het Hof bij de beoordeling van het onder 2 tenlastegelegde feit de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en is overgegaan op een gedeeltelijke bewezenverklaring zonder dat voldoende duidelijk is waarop deze betrekking heeft.
23. Aan verdachte is onder feit 2 het volgende tenlastegelegd:
“dat hij, op of omstreeks 4 maart 2015, in Sint Maarten, een of meer vuurwapen(s) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, te weten een pistool en/of een revolver, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.”
Daarvan heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard:
“dat hij op 4 maart 2015, in Sint Maarten, een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.”
24. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof niet in het midden had mogen laten welk vuurwapen in de bewezenverklaring wordt bedoeld, nu de verdachte in zijn auto een dienstpistool en een alarmpistool voorhanden had en de verdachte bevoegd was het dienstpistool bij zich te dragen, zodat het voorhanden hebben van het dienstwapen derhalve geen strafbaar feit oplevert.
25. Het Hof heeft de tenlastelegging kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus opgevat dat de steller van de tenlastelegging de verdachte het verwijt maakt een vuurwapen, te weten een pistool “en/of” een revolver, voorhanden te hebben gehad. Het Hof verklaart bewezen dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad, en de bewijsmiddelen – waaronder met name de verklaring van de verdachte zelf dat hij een verboden vuurwapen, namelijk een alarmpistool voorhanden had – maken duidelijk dat daarbij wordt gedoeld op het voorhanden hebben van het alarmpistool. Nu de tenlastelegging tevens ziet op het alarmpistool, is van grondslagverlating geen sprake.
26. Het middel faalt.
27. Alle middelen falen. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ingevolge art. 39 van Pro het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden geldt het concordantiebeginsel: onder meer het strafrecht en de strafvordering worden in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten “zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze” geregeld. Er is niet alleen concordantie in wetgeving, maar ook in rechtspraak. Op grond van art. 1, eerste lid, van de Rijkswet van 7 juli 2010 (Stb. 339), houdende de cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Saba en Sint Eustatius, neemt de Hoge Raad – kort gezegd – in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van de burgerlijke zaken en strafzaken waarin beroep in cassatie is ingesteld tegen uitspraken in hoger beroep van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Het verbaast dan ook niet dat de Hoge Raad zijn rechtspraak omtrent noodweer(exces) toepast op uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Zie bijv. HR 7 februari 2006, ECLI:NL:2006:AU8274,
2.J. de Hullu,
3.Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR),
4.NLR, a.w., art. 41, aant. 14.
5.Zie voor voorbeelden waarin de Hoge Raad oordeelde dat de feitenrechter te streng was geweest: HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3895,
6.Zie: J. ten Voorde, ‘De Garantenstellung van politieambtenaren bij vuurwapengebruik’,
7.Zie NLR, a.w., art. 41 , aant. 11 en De Hullu, a.w., p. 323.
8.NLR, a.w., art 41, aant. 18.1 (bijgewerkt tot 1 mei 2016; bewerkt door prof. mr. A.J. Machielse) en De Hullu, a.w., p. 326 e.v.
9.NLR, a.w., art 41, aant. 18.2.
10.NLR, a.w., art 41, aant. 18.3.
11.Ook de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wijzen daarop niet.
12.Vgl. HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3474.