Conclusie
middel
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine, in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet. De verdediging voerde aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de ontdekking van het stroomstootwapen in de auto van verdachte zonder geldige strafvorderlijke bevoegdheid zou hebben plaatsgevonden.
De verdediging stelde dat de politie alleen op grond van de Wegenverkeerswet bevoegd was om naar het rijbewijs te vragen, maar dat het openen van het portier en het doorzoeken van de auto onrechtmatig was omdat er geen redelijke verdenking bestond. Hierdoor zou het bewijs van het stroomstootwapen en de daaropvolgende vondst van amfetamine onrechtmatig zijn en uitgesloten moeten worden.
Het hof oordeelde echter dat het portier al geopend was door verdachte zelf, dat de politie op grond van de Wet Wapens en Munitie en de Opiumwet bevoegd was om het stroomstootwapen te onderzoeken, en dat de vondst van het stroomstootwapen aanleiding gaf tot het doorzoeken van de auto. Het hof verwierp het verweer van onrechtmatigheid en vormverzuim en bevestigde de bewijswaardering.
De Hoge Raad concludeerde dat het middel dat klaagde over de motivering van het hof ongegrond was en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de veroordeling van verdachte werd bevestigd.