Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Het juridische kader
eerste onderdeelwordt geklaagd dat het hof is uitgegaan van een te beperkt toepassingsbereik van art. 6:248 lid 2 BW Pro dan wel van art. 6:2 lid 2 BW Pro. Het
tweede onderdeelbevat een motiveringsklacht. Voordat de klachten nader worden besproken, schets ik eerst het juridische kader.
onaanvaardbaarzijn. Dat betekent dat het er niet om gaat of de bepaling in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of dat een bepaald gevolg ‘niet redelijk’ is; er moet sprake zijn van onaanvaardbare gevolgen. [10] Uit de term ‘onaanvaardbaar’ kan bovendien worden afgeleid dat de gevolgen objectief gezien onaanvaardbaar moeten zijn, in die zin dat ‘geen redelijk mens er anders over kan denken’. [11]
De commissie zegt nog steeds moeite te hebben met het aanvaarden van de mogelijkheid dat dwingend recht, bijvoorbeeld het arbeidsrecht, opzijgezet wordt door redelijkheid en billijkheid. (…)De regeringscommissaris antwoordt dat in het gegeven voorbeeld van het arbeidsrecht een grote terughoudendheid past. Dit is begrijpelijk: het gaat hier om een terrein dat de voortdurende aandacht van de wetgever heeft, en het arbeidsrecht is het resultaat van een maatschappelijke afweging. Naarmate de redelijkheid en billijkheid geacht kunnen worden in de regeling te zijn verdisconteerd, zal men terughoudender moeten zijn; in zeer extreme omstandigheden zal echter wel een beroep op de redelijkheid en billijkheid gedaan kunnen worden, waarbij te denken valt aan gevallen van rechtsverwerking.”
op initiatief van de werkgevereindigt. In het geval de arbeidsovereenkomst
op initiatief van de werknemereindigt kan een transitievergoeding verschuldigd zijn indien de werkgever
ernstig verwijtbaarheeft gehandeld, zo volgt uit art. 7:673 lid Pro 1, onder b, BW.
Een ontslagvergoeding waarvan de hoogte mede afhankelijk is van leeftijd verdraagt zich niet met het streven de arbeidsmarktpositie van ouderen te normaliseren.”
indien het niet toekennen daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De uitzondering van lid 8 is in de arbeidsrechtelijke literatuur aangeduid als ‘het luizengaatje’. Daarmee wordt bedoeld dat sprake is van een nog beperktere uitzondering dan bij het ‘muizengaatje’ van de billijke vergoeding. [29] Als voorbeeld van een geval waarin toepassing van de hardheidsclausule op zijn plaats is, is in de memorie van toelichting genoemd het geval dat de werknemer een relatief kleine misstap heeft begaan na een langdurig dienstverband. [30] De toets dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, komt overeen met de maatstaf van art. 6:2 lid 2 BW Pro en 6:248 lid 2 BW. Daarmee ligt het in de rede dat, net als bij de toepassing van deze artikelen, de rechter terughoudend zal moeten zijn bij de toepassing van art. 7:673 lid 8 BW Pro. [31]
nietop te zeggen. In plaats daarvan wordt de werknemer in dienst gehouden, waarmee het dienstverband ‘slapend’ wordt. De werkgever is geen loon verschuldigd, omdat na twee jaar ziekte de loonbetalingsverplichting is komen te vervallen (art. 7:629 BW Pro). En doordat de werkgever niet tot beëindiging van het dienstverband overgaat, ontstaat er ook geen recht op de transitievergoeding. Ook in de onderhavige zaak heeft de School aangeboden om het dienstverband ‘slapend’ te houden (zie 1.6).
moetopzeggen. Het slapend houden van het dienstverband – ook als dat slechts gebeurt om de transitievergoeding te ontlopen – is in deze uitspraken dan ook niet als ernstig verwijtbaar handelen aangemerkt. [47] Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke eis voor toekenning van de transitievergoeding na een ontbindingsverzoek van de werk
nemer, dat sprake moet zijn van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever (art. 7:673 lid Pro 1, onder b, 2ͦ BW). Naar aanleiding van deze rechterlijke uitspraken zijn opnieuw Kamervragen gesteld. [48] Toenmalig minister Asscher heeft geantwoord, kort samengevat, dat de overige verplichtingen van de werkgever (met name de re-integratieverplichting) wel doorlopen bij een slapend dienstverband, en dat het aan de rechter is om, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden van het geval, te beoordelen of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [49]
nietin het (geheel of gedeeltelijk) ontzeggen van de transitievergoeding. In het wetsvoorstel wordt evenmin een uitzondering gemaakt voor de arbeidsongeschikte werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd nadert.
Daarmee ligt het bepaald niet voor de hand om bij de beoordeling van de vraag of de toepassing van de wettelijke regeling van de transitievergoeding in een concreet geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, veel gewicht toe te kennen aan de omstandigheid dat (a) het gaat om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, of (b) de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd nadert.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelis het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien het toepassingsbereik van de artikelen 6:2 lid 2 en 248 lid 2 BW. Volgens het onderdeel toetst het hof slechts aan de aard van de regeling en de bedoeling van de wetgever en miskent het dat de beoordeling van de vraag of toekenning van een volledige transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, afhangt van
alleomstandigheden van het geval. Daarbij wordt gewezen op een aantal specifieke omstandigheden die in feitelijke instantie zijn aangevoerd en waarvan het hof niet heeft beoordeeld of deze in combinatie met elkaar grond opleveren voor matiging van de transitievergoeding:
niet alleen afhangt van alle omstandigheden van het geval, maar ook van de aard en de strekking van de transitievergoeding en in dat kader ook van de bedoeling van de wetgever. Dit uitgangspunt is juist (zie onder 3.4 en 3.5).
ook in onderlinge samenhang bezienniet tot het oordeel kunnen leiden dat toepassing moet worden gegeven aan de artikelen 6:2 en 6:248 lid 2 BW.
in combinatietot het oordeel zouden kunnen leiden dat de transitievergoeding niet volledig verschuldigd is.
dit cassatieberoep […] de principiële vraag aan de orde [stelt] of er bepaalde omstandigheden zijn op grond waarvan de rechterniet
tot matiging van de transitievergoeding op de voet van art. 6:2(40) lid 2 BW zou mogen overgaan’ (onder punt 4). Vervolgens wordt in het verzoekschrift gesteld dat de ‘
beweerdelijke bedoeling van de wetgever’ geen rechtvaardiging kan zijn voor ‘
het categorisch uitsluiten’van de onder a t/m c vermelde omstandigheden (onder punt 5).
altijdin de weg zou staan aan het op een lager bedrag stellen van de transitievergoeding op grond van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid. Geoordeeld is slechts – met inachtneming van de maatstaf van terughoudendheid die past bij het buiten toepassing laten van dwingendrechtelijke wetsbepalingen wegens de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid – dat daarvoor in de onderhavige zaak onvoldoende grond bestaat.
tweede onderdeelwordt aangevoerd dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat de combinatie van de aangevoerde omstandigheden evenmin tot het oordeel leiden dat toekenning van de volledige transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, sprake is van een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel. Het enige contra-argument van het hof is dat het niet de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest dat een lagere transitievergoeding wordt toegekend – wat een niet-valide argument is –, terwijl het hof bovendien niet alle omstandigheden in combinatie heeft beoordeeld, aldus het onderdeel.