en zich daarbij de toegang tot voornoemde woningen te verschaffen door middel van braak, naar voornoemde woningen zijn toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) door middel van de zogenaamde “kerntrekmethode” een cilinderslot van een toegangsdeur van voornoemde woningen heeft/hebben geforceerd en voornoemde woningen is/zijn binnengegaan en vervolgens voornoemde woningen heeft/hebben doorzocht.”
3.2. De bewijsconstructie laat zich als volgt samenvatten:
Op 1 oktober 2014 wordt in België een Citroen 3 aangetroffen. De auto beschikt over een ‘track and trace’-systeem. Daarmee kan de (historische) positie van de auto worden uitgelezen. De politie was op zoek naar deze auto in verband met een poging woninginbraak net over de grens in Maatricht. Daarvoor werd de auto al in de gaten gehouden en is gezien dat de auto is gestopt in de wijk waar de woninginbraak is gepleegd en waarbij twee verdachten zijn overlopen. Dat bleken verdachte en medeverdachte [medeverdachte] te zijn die tijdens de vlucht de auto hebben achtergelaten. De auto bleek te zijn gehuurd door de broer van deze medeverdachte, vanaf 17 september 2014. Tussen 17 september 2014 en het aantreffen van de auto op 1 oktober 2014 zijn de bewezenverklaarde feiten gepleegd. Door middel van het ‘track and trace’-systeem kan de auto worden gekoppeld aan diverse inbraken en pogingen daartoe. De vraag waarvoor het hof ook stond is of de auto vervolgens aan deze verdachte kan worden gekoppeld. Dat is volgens het hof het geval, mede omdat een telefoonnummer, waarvan het hof heeft vastgesteld dat verdachte zich daarvan heeft bediend in de buurt van een (poging tot) inbraak werd uitgepeild, ofwel de verdachte rond het plegen van een feit is gezien (in gezelschap van de medeverdachte [medeverdachte]) op camerabeelden van tankstations in de omgeving of stad waar is ingebrokenof een poging daartoe is begaan. Voorts kon uit het ‘track and trace’- systeem worden afgeleid dat de auto ’s ochtends naar de straat waar verdachte woont is gereden en dat in één geval de verdachte belt met de medeverdachte en zegt dat hij ‘m zo ziet en de auto onderweg gaat naar de straat waar de verdachte woont (feit 1, Tilburg). Uit de verschillende aangiftes volgt dat in nagenoeg alle gevallen braak is gepleegd aan het cilinderslot van een deur (de kerntrekmethode).
3.3. De eerste klacht. Het “Maastrichtse feit” speelt inderdaad een belangrijke rol wat de bewijsvoering betreft. Van belang is dat is gezien dat op die dag de auto een wijk inreed, daar werd geparkeerd, de verdachte en zijn medeverdachte meerdere rondjes door de wijk liepen en dat is gezien dat ze op de vlucht sloegen, kennelijk omdat ze werden overlopen bij een poging woninginbraak en dat bij deze inbraak het cilinderslot was verwijderd.
3.4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 september 2016 volgt dat aan het dossier is toegevoegd een emailbericht van 9 november 2016 met als bijlage het proces-verbaal van de politie met nummer 201410579 in deze “Maastrichtse zaak” en het arrest van het Hof waarbij de verdachte op 29 juni 2015 is veroordeeld voor deze poging tot woninginbraak.
3.5. Deze stukken maakten derhalve deel uit van het onderhavige strafdossier. Over de observaties en vaststellingen zoals kennelijk door de politie in dit proces-verbaal zijn vastgelegd had de raadsvrouw zich uit kunnen laten. Wat betreft de vaststellingen van het (eerdere) hof in die Maastrichtse zaak: daarvan blijkt niet dat het hof deze in de bewijsconstructie een rol heeft laten spelen. Dat deze zaak toen nog niet onherroepelijk wasen dat het hof daarom die vaststellingen bij de beoordeling van deze zaak niet had mogen betrekken kan daarom buiten bespreking blijven. Het hof heeft de redengevende feiten en omstandigheden klaarblijkelijk ontleend aan het proces-verbaal van de politie dat onderdeel uitmaakt van het dossier.
3.6. Daarnaast merk ik op dat de gang van zaken rond de Maastrichtse zaak al wordt genoemd in een proces-verbaal van de politie opgemaakt in oktober 2014, bijvoorbeeld bij feit 1 met betrekking tot de inbraak in Tilburg en bij feit 2 met betrekking tot de poging inbraak in Eindhoven en Tiel. Dat de verdediging, zoals gesteld, er niet op bedacht hoefde te zijn dat de feiten en omstandigheden uit Maastricht een rol zouden gaan spelen in de bewijsconstructie ligt in ieder geval niet aan een in een (te) laat stadium van het proces overgelegd stuk.
3.7. De tweede klacht in middel 1 richt zich tegen ’s hofs oordeel dat het telefoonnummer eindigend op 224 aan de verdachte is gekoppeld. Het hof heeft toegelicht dat en waarom het hof dat heeft gedaan. Zo werd bijvoorbeeld in met de telefoon gevoerde gesprekken van anderen de naam Smiley genoemd, welke naam als bijnaam van de verdachte staat geregistreerd, of kon worden vastgesteld dat als de gebruiker van dit nummer iets communiceerde dat erna ook werd waargenomen, bijvoorbeeld dat de verdachte naar Den Haag ging. Aan de begrijpelijkheid kan niet afdoen dat de verdachte (kennelijk) ook nog beschikte over een ander telefoonnummer (eindigend op 324). Illustratief daarvoor is bijvoorbeeld dat aan een van de nummers “[voornaam verdachte]” is gekoppeld. Dat kan er reeds op wijzen dat [voornaam verdachte] (voornaam verdachte) op meer nummers te bereiken was.
3.8. In deze deelklacht wordt ten slotte nog opgemerkt dat de telefoongegevens geen rol hebben gespeeld bij drie bewezenverklaarde strafbare feiten zodat ‘s hofs oordeel dat op basis van de locatie van het telefoonnummer eindigend op 224 de (pogingen tot) woningbraken bewezen kunnen worden verklaard voor die drie gevallen niet opgaat. Het gaat om de pogingen te Ede, Amersfoort en Eindhoven in feit 2. Ik loop ze langs.
3.9. Poging inbraak Ede op 17 september 2014. Het bewijs hiervoor bestaat uit de aangifte, de vastgestelde rijbewegingen en locaties van de huurauto, meer in het bijzonder dat is gereden naar de straat waar verdachte woont en daar ook weer terugkeerde en dat, gelet op de sms (dus speelt het telefoonnummer eindigend op 224 daar tóch een rol) een paal wordt aangestraald in Muiden, waaruit kan worden afgeleid dat verdachte, die beschikte over die telefoon en waarbij er van uit mag worden gegaan dat de verdachte die telefoon bij zich had, in ieder geval niet thuis was in Amsterdam.
3.10. Poging inbraak in Amersfoort. Deze vond plaats op dezelfde dag als de poging in Ede. Het hof bezigt daarvoor dezelfde bewijsmiddelen. Ik verwijs naar hetgeen ik hierboven heb opgemerkt.
3.11. Poging inbraak te Eindhoven in de Argostraat. De bewijsmotivering van dit feit komt terug bij het tweede middel. Daar zal ik ingaan op dit feit en de bewijsconstructie daarbij.
3.12. De derde deelklacht. Die houdt in dat sprake is van een afwijkende modus operandi bij de inbraak in Zoetermeer zodat deze niet op basis daarvan kan worden gekoppeld aan de verdachte. Bij deze inbraak is niet het cilinderslot eruit gehaald of gebroken. Daar zit de overeenkomsten met de andere zaken ook niet in. Wat wel overeenkomt is dat de auto met het ‘track and trace’- systeem weer vertrekt vanaf de straat van de medeverdachte, naar de straat van de verdachte rijdt, dat de auto wordt geparkeerd in de nabijheid van het adres waarop is ingebroken en daarna weer in de straat van de verdachte wordt gesitueerd, terwijl in de tussentijd de inbraak is ontdekt. Voorts wordt in de bewijsmotivering van dit feit meegenomen het aanstralen van een paal in Amsterdam in de ochtend, terwijl met dat telefoonnummer ten tijde van de inbraak in Zoetermeer een paal in Zoetermeer wordt aangestraald. Dit nummer, eindigend op 304, verplaatst zich kennelijk met de auto van Amsterdam naar Zoetermeer. De auto is later die avond (rond 18.30 uur) gecontroleerd en in de auto zijn de verdachte en de medeverdachte aangemerkt als de inzittenden. Het hof kent kennelijk dit nummer 304 aan de verdachten toe. Het nummer komt ook terug bij de bespreking van het tweede middel.
3.13. Het eerste middel faalt voor zover reeds besproken.