Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
4.Gecombineerde heffingskorting
De wet, de Zetelovereenkomst en het Besluit
Blanckaert(inwoner van België met een vakantiewoning in Nederland aan wie de heffingskorting voor de volksverzekeringen werd onthouden): [11]
redactie van Vakstudie-Nieuwsheeft ter zake van het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2004 opgemerkt dat het weinigen zal verbazen dat het beroep van belastingplichtige (zijnde inwoner van Nederland, niet verzekerd voor de volksverzekeringen) op het gelijkheidsbeginsel is verworpen door de Hoge Raad: [18]
redactie van Vakstudie-Nieuwsheeft in de noot bij
Blanckaertopgemerkt dat hij, indien hij in Nederland zou hebben gewoond en op die grond verzekerd zou zijn geweest voor de Nederlandse volksverzekeringen, ingevolge art. 2.7, lid 2 Wet IB 2001 wel recht zou hebben op het premiedeel van de heffingskorting, ondanks dat hij geen premies volksverzekeringen zou zijn verschuldigd: [22]
BNB2007/207 terecht heeft geoordeeld dat de medewerker van de Europese Octrooiorganisatie geen recht heeft op de heffingskorting voor de volksverzekeringen: [24]
redactie van Vakstudie-Nieuwsmeent dat het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007 bepaald geen verrassing meer is en dat het inmiddels wel een uitgekristalliseerde zaak is dat bij het ontbreken van premieplicht geen recht bestaat op het premiedeel van de heffingskorting: [25]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis geschreven over de heffingskorting voor de volksverzekeringen: [32]
Fiscale Encyclopedie de Vakstudieis geschreven over de verhoging van de heffingskorting in geval van eenverdienersgezinnen: [37]
5.Behandeling van de klachten
Ten geleide
BNB2007/207 ter zake van een vergelijkbare situatie geoordeeld: “Belanghebbende is immers ingevolge artikel 14, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen, en derhalve (gelet op artikel 6 WFV Pro) ook niet premieplichtig daarvoor. Uit het bepaalde in artikel 10, lid 4, WFV volgt dan dat belanghebbende ook geen recht heeft op een heffingskorting voor de volksverzekeringen. Niet valt in te zien dat voormelde bepalingen op enig punt in strijd zijn met het Protocol of met enige andere verdragsbepaling.” [47]
nietpremieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen en heeft zij
geenrecht op de heffingskorting voor de volksverzekeringen. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 2.7 Wet IB 2001. De door belanghebbende verschuldigde inkomstenbelasting kan daardoor niet worden verminderd met de heffingskorting voor de volksverzekeringen.
hogeris dan de gecombineerde inkomensheffing, wordt het bedrag van de gecombineerde heffingskorting gemaximeerd. [57] Deze bepaling vindt in onderhavige zaak geen toepassing omdat de gecombineerde heffingskorting van belanghebbende juist
lageris dan haar gecombineerde inkomensheffing. [58]
BNB2005/119 geoordeeld: “Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de omstandigheid dat belanghebbende geen heffingskorting geniet in de premiesfeer, voor hem een nadeel oplevert dat niet kan worden toegeschreven aan een tekortkoming in de Nederlandse heffingsregeling, doch voortvloeit uit de verschillen die bestaan tussen de financieringsstelsels voor de sociale verzekeringen in de verschillende lidstaten van de EG. Het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand voorziet niet in het wegnemen van deze verschillen. (…) Voorzover het middel betoogt dat het aan de woonstaat is rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige, ziet het eraan voorbij dat de mogelijkheid voor Nederland om een persoonlijke tegemoetkoming toe te kennen in het kader van de premieheffing voor de sociale verzekeringen zich slechts voordoet indien belanghebbende in Nederland onderworpen zou zijn aan die premieheffing, hetgeen niet het geval is. Het Hof is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat hier geen sprake is van schending door Nederland van de bepalingen van het gemeenschaprecht welke zien op het vrije verkeer van werknemers en het verblijfsrecht van burgers van de Europese Unie. Het middel faalt mitsdien.” [67]
Blanckaertgeoordeeld: “De artikelen 56 EG en 58 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat waarin is bepaald dat een buitenlandse (niet-ingezeten) belastingplichtige met in deze staat uitsluitend inkomen uit sparen en beleggen, die niet is verzekerd voor de volksverzekeringen van deze lidstaat, geen aanspraak kan maken op de heffingskortingen volksverzekeringen als belastingkortingen, terwijl een binnenlandse (ingezeten) belastingplichtige die wél is verzekerd voor die verzekeringen, bij de berekening van zijn belastbaar inkomen wel recht heeft op die kortingen, ook al geniet hij uitsluitend inkomen van diezelfde aard en draagt hij geen premie volksverzekeringen af.” [68]
BNB2007/207 geoordeeld: “Belanghebbende is (…) niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen, en derhalve (…) ook niet premieplichtig daarvoor. Uit het bepaalde in artikel 10, lid 4, WFV [69] volgt dan dat belanghebbende ook geen recht heeft op een heffingskorting voor de volksverzekeringen. Niet valt in te zien dat voormelde bepalingen op enig punt in strijd zijn met het Protocol of met enige andere verdragsbepaling.” [70]