Conclusie
middelkomt op tegen de motivering van het hof dat de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een economische strafzaak waarin verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding. Verdachte had telefonisch en per fax een verzoek tot aanhouding van zijn strafzaak ingediend vanwege een begrafenis, maar het hof kon niet vaststellen of dit verzoek betrekking had op de onderhavige zaak of een andere strafzaak die op dezelfde dag diende.
Verdachte ontving eind juli 2015 het vonnis van de politierechter betreffende het niet tijdig registreren van schapen, waarna hij pas op 22 september 2015 hoger beroep instelde, wat te laat was volgens artikel 408 Sv Pro. Het hof motiveerde dat een enkele mededeling van een griffiemedewerker onvoldoende was om te mogen vertrouwen op honorering van het aanhoudingsverzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat verdachte door toezending van het vonnis op de hoogte was van zijn veroordeling en dat het niet relevant is op welke wijze hij daarvan kennis nam. Verdachte had binnen veertien dagen na het vonnis hoger beroep moeten instellen. Het hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring terecht gemotiveerd en het cassatieberoep werd verworpen.
De procedure toonde onduidelijkheid over het aanhoudingsverzoek en de kennis van verdachte over de verschillende strafzaken, maar dit leidde niet tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad bevestigde het belang van tijdige hogerberoepinstelling en de zorgvuldige motivering van het hof over de ontvankelijkheid van verdachte.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.