ECLI:NL:PHR:2018:780

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 mei 2018
Publicatiedatum
12 juli 2018
Zaaknummer
18/01408
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet BopzArt. 1 lid 1 sub f Wet BopzArt. 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende onderbouwd gevaar

De rechtbank Gelderland verleende op 4 januari 2018 een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor zes maanden. Het oordeel was dat er gevaar bestond dat betrokkene zichzelf van het leven zou beroven of ernstig lichamelijk letsel zou toebrengen, gebaseerd op een geneeskundige verklaring en een incidentenlijst.

In cassatie werd betoogd dat dit oordeel onbegrijpelijk was, omdat het gevaar niet uit de geneeskundige verklaring of de incidentenlijst bleek, en dat de incidenten waarop het gevaar gebaseerd was, zoals automutilatie en mogelijke zelfmoordpoging uit 2007, te lang geleden waren. Bovendien waren sinds een hersenoperatie in 2014 geen epileptische aanvallen meer voorgekomen.

De Hoge Raad oordeelde dat het gevaar onvoldoende was onderbouwd. De geneeskundige verklaring vermeldde weliswaar dat betrokkene een gevaar voor zichzelf vormt, maar niet dat hij zichzelf ernstig letsel zou toebrengen. De incidentenlijst toonde vooral agressie naar anderen en geen recente zelfbeschadiging. Het oordeel van de rechtbank was daarom onbegrijpelijk en werd vernietigd, met terugwijzing naar de rechtbank.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de machtiging tot voortgezet verblijf wegens onvoldoende onderbouwd gevaar en wijst de zaak terug.

Conclusie

Zaaknr: 18/01408
mr. M.L.C.C. Lückers
Zitting: 3 mei 2018
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Verzoeker tot cassatie,
Advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
De Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verleend. In cassatie wordt onder andere geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat het gevaar bestaat dat betrokkene zichzelf van het leven zal beroven of ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, onbegrijpelijk is.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij verzoekschrift van 18 december 2017 heeft de officier van justitie aan de rechtbank Gelderland verzocht een machtiging te verlenen om het verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis voort te zetten (art. 15 Wet Pro Bopz). Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 14 december 2017 opgemaakt en op 15 december 2017 ondertekend door de geneesheer-directeur.
1.2
Op 4 januari 2018 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene, de advocaat van betrokkene, en [betrokkene 1], in het proces-verbaal van mondelinge uitspraak aangeduid als waarnemend behandelaar.
1.3
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft op 4 januari 2018 ter zitting mondeling uitspraak gedaan op de voet van art. 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en machtiging verleend tot voortgezet verblijf voor de duur van zes maanden. Deze beslissing is vastgelegd in een ‘proces-verbaal van mondelinge uitspraak’. Daarnaast is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt van het verhandelde ter zitting. De officier van justitie was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling, waardoor niet voldaan is aan het vereiste in art. 30p Rv voor het doen van mondelinge uitspraak. In aansluiting bij de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer [1] ben ik van mening dat schending van dit voorschrift door de afwezigheid van de officier van justitie niet in het nadeel van verzoeker is, nu dit voorschrift uitsluitend strekt ter bescherming van het belang van de partij die niet ter terechtzitting is verschenen.
1.4
Namens betrokkene is tijdig [2] beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend. [3]

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen.
Onderdeel Ikomt op tegen het oordeel van de rechtbank op p. 2 van het proces-verbaal van mondelinge uitspraak dat ten gevolge van de stoornis(sen) het gevaar bestaat dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen en dat dit gevaar, gelet op de incidentenlijst van betrokkene, voldoende is onderbouwd. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is nu in de geneeskundige verklaring weliswaar de categorie “gevaar dat betrokkene zichzelf van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen” is aangekruist, maar dit gevaar verder niet uit de geneeskundige verklaring blijkt en ook uit de overige stukken van het geding niet blijkt dat een dergelijk gevaar op het moment van de bestreden uitspraak bestond. Voor het geval het bestaan van dit gevaar gebaseerd zou zijn op de omstandigheid dat bij betrokkene eind 2007 blijkens het individueel behandelplan sprake was van automutilatie tijdens een serie epileptische aanvallen waarbij betrokkene mogelijk een zelfmoordpoging zou hebben gedaan, is het oordeel dat dit gevaar op het moment van de bestreden uitspraak bestond onbegrijpelijk, nu sindsdien ruim tien jaar zijn verstreken en uit hetzelfde behandelplan blijkt dat betrokkene eind 2014 is geopereerd aan een hersentumor en sindsdien geen epileptische aanvallen meer hebben plaatsgevonden onder het gebruik van anti-epileptica. Het oordeel dat het gevaar voldoende is onderbouwd gelet op de incidentenlijst van betrokkene is onbegrijpelijk, nu een dergelijk gevaar niet uit de incidentenlijst volgt.
2.2
Het onderdeel is terecht voorgesteld. Hiertoe geldt het volgende.
2.3
Blijkens art. 1 lid 1 sub f Wet Pro Bopz wordt onder gevaar verstaan:
“1°. gevaar voor degene, die het veroorzaakt, hetgeen onder meer bestaat uit:
a.het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;
b.het gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat;
c.het gevaar dat betrokkene zichzelf in ernstige mate zal verwaarlozen;
d.het gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.
Gevaar voor een of meer anderen, hetgeen onder meer bestaat uit:
a. het gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen;
b. het gevaar voor de psychische gezondheid van een ander;
c. het gevaar dat betrokkene een ander, die aan zijn zorg is toevertrouwd, zal verwaarlozen.
3°. gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen”
In de geneeskundige verklaring is onder kopje “4 Gevaar” vraag a “op grond van welke gedragingen van betrokkene oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens een gevaar oplevert voor betrokkene zelf, voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen?” als volgt beantwoord:
“(Betrokkene) is een gevaar voor zichzelf. Hij heeft sturing nodig omdat hij kwetsbaar blijft in zijn sociale contacten. Zijn sociaal netwerk (in de regio Nijmegen) is klein. Hij geeft aan graag vriendschappen te willen maken. Als we praten over hoe hij dat denkt te doen, geeft hij voorbeelden uit strategieën van het verleden.”
Blijkens het antwoord op vraag 4b bestaat het gevaar er in dat betrokkene kan terugvallen in oud gedrag (drugsmisbruik, criminele activiteiten, aanraking met justitie). Verder bestaat het gevaar dat het contact met zijn familie verslechtert. Het gevaar is ingedeeld in de categorie “gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen”.
2.4
Uit de hierboven weergegeven passages uit de geneeskundige verklaring volgt, behoudens de indeling van het gevaar in de betreffende categorie, niet dat het gevaar bestaat dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen. Uit de incidentenlijst van betrokkene vanaf 3 juli 2016 blijkt “slechts” agressie naar anderen toe en daarvoor geldt overigens dat het laatste incident geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden. In de incidentenlijst is daarover opgenomen:
“Vanaf 04-08-17 zijn er geen incidenten meer gerapporteerd. (Betrokkene) is goed bezig en wil zelf ook graag weer zijn leven oppakken. (Betrokkene) sport veel, is positief aanwezig op de groep en bereid om aan zijn toekomst te werken. We zien de laatste 2 maanden een totaal andere (betrokkene) die goed in zijn vel zit. (Betrokkene) is trots op zichzelf. Medicatie Kreppa wordt verder afgebouwd. Dit kan ook zijn weerslag hebben op zijn agressieve buien. Kreppa heeft namelijk sterke invloed op je gemoedstoestand en kan agressie veroorzaken.”
In het behandelplan staat op p. 12 onder het kopje “Integratief beeld” als relevante voorgeschiedenis onder andere het volgende vermeld:
“Er vonden vanaf 2006 verschillende kortdurende opnames plaats (…) in verband met veelvuldige epileptische insulten waarbij (betrokkene) niet goed ingesteld kon worden op anti-epileptische medicatie. Eind 2007 werd hij vanwege automutilatie tijdens een serie aanvallen waarbij mogelijk een TS gedaan zou zijn, verwezen naar (…), waar hij vanwege ‘verwardheidstoestanden’ drie weken is opgenomen.”
Indien de rechtbank het bestaan van het gevaar voor zichzelf gebaseerd heeft op de automutilatie en mogelijke zelfmoordpoging eind 2007 is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd, aangezien die incidenten lang geleden hebben plaatsgevonden en uit het zelfde behandelplan op p. 12 onderaan blijkt dat epileptische aanvallen zich bij betrokkene niet meer hebben voorgedaan sinds een hersenoperatie eind 2014:
“Verwacht werd dat het agressieve gedrag, het drugsmisbruik, de (rand) psychotische verschijnselen en de frequentie epileptische insulten met elkaar samenhingen. Eind 2014 is (betrokkene) geopereerd aan een hersentumor en sindsdien hebben er geen epileptische aanvallen meer plaatsgevonden onder het gebruik van anti-epileptica.”
Ook de vermelding op p. 13 van het behandelplan dat indien niet aan de intensieve ondersteuningsbehoefte van (betrokkene) zal worden voldaan, hij zichzelf zal overschatten en het risico bestaat op maatschappelijke teloorgang, drugsgebruik en agressie jegens andere personen maakt het oordeel van de rechtbank dat het gevaar moet worden ingedeeld in de categorie gevaar dat betrokkene zichzelf van het leven zal beroven of zichzelf ernstig letsel zal toebrengen onbegrijpelijk.
2.5
Nu onderdeel I terecht is voorgesteld behoeft onderdeel II geen bespreking meer.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 4 januari 2018 en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Conclusie plv. PG van 13 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:300, onder 4.12.
2.Het cassatieverzoekschrift is op 4 april 2018 per faxbericht ingekomen bij de griffie, gevolgd door het origineel op 5 april 2018.
3.Gelegenheid voor verweer tot en met 30 april 2018.