Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ikomt op tegen het oordeel van de rechtbank op p. 2 van het proces-verbaal van mondelinge uitspraak dat ten gevolge van de stoornis(sen) het gevaar bestaat dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen en dat dit gevaar, gelet op de incidentenlijst van betrokkene, voldoende is onderbouwd. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is nu in de geneeskundige verklaring weliswaar de categorie “gevaar dat betrokkene zichzelf van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen” is aangekruist, maar dit gevaar verder niet uit de geneeskundige verklaring blijkt en ook uit de overige stukken van het geding niet blijkt dat een dergelijk gevaar op het moment van de bestreden uitspraak bestond. Voor het geval het bestaan van dit gevaar gebaseerd zou zijn op de omstandigheid dat bij betrokkene eind 2007 blijkens het individueel behandelplan sprake was van automutilatie tijdens een serie epileptische aanvallen waarbij betrokkene mogelijk een zelfmoordpoging zou hebben gedaan, is het oordeel dat dit gevaar op het moment van de bestreden uitspraak bestond onbegrijpelijk, nu sindsdien ruim tien jaar zijn verstreken en uit hetzelfde behandelplan blijkt dat betrokkene eind 2014 is geopereerd aan een hersentumor en sindsdien geen epileptische aanvallen meer hebben plaatsgevonden onder het gebruik van anti-epileptica. Het oordeel dat het gevaar voldoende is onderbouwd gelet op de incidentenlijst van betrokkene is onbegrijpelijk, nu een dergelijk gevaar niet uit de incidentenlijst volgt.