Conclusie
McFadden-arrest van het HvJ EU: deze op de e-Commercerichtlijn terug te voeren regeling lijkt te zijn beperkt tot civiele aansprakelijkheid bij schadevergoedingsvorderingen. Helemaal zeker is dat niet, omdat dit arrest alleen over art. 12 van Pro de e-Commercerichtlijn gaat (“mere conduit”) en onze zaak daar mede om gaat, maar vooral over art. 14 (“hosting”) handelt. Dat geeft aanleiding om (zekerheidshalve) prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van de aansprakelijkheidsvrijstelling in beide artikelen en de
McFadden-leer.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
explanatory memorandumzet de Commissie daarover het volgende uiteen [20] :
vrije verkeer van informatieop het net vrijwaren, werden verleend en dat werd voorzien in
een kader waarin internet en e-handel zich kunnen ontwikkelen. De uiteenlopende benaderingen in de wetgeving en de jurisprudentie die in de lidstaten werden waargenomen, en de daaruit voortvloeiende rechtsonzekerheid voor grensoverschrijdende activiteiten hielden
het risico in dat belemmeringen voor het vrij verrichten van grensoverschrijdende diensten zouden ontstaan. Het communautaire optreden werd echter beperkt tot wat noodzakelijk werd geacht om te voorkomen dat dit risico concreet vorm zou aannemen.” (cursivering A-G)
niet in een wijziging van of aanvulling op de e-Commercerichtlijn, maar noemt deze richtlijn wel in de considerans onder 38:
hosting safe harboruit de e-commercerichtlijn anderzijds. De commissie auteursrecht vraagt zich af of het richtlijnvoorstel wellicht zo moet worden gelezen dat zowel de
hosting safe harborals het auteursrechtelijk verbodsrecht in essentie ongewijzigd blijven, en dat de verplichtingen die art. 13 oplegt Pro aan de platforms zijn gebaseerd op een los daarvan bestaande zorgplicht van de platforms. Daarvoor zou de e-commercerichtlijn model gestaan kunnen hebben. Deze richtlijn bepaalt dat dienstenaanbieders verplicht kunnen worden om maatregelen te nemen om inbreuk te voorkomen (artt. 12, 13 en 14). Deze plicht geldt ongeacht of zij een beroep kunnen doen op een van de vrijstellingen van aansprakelijkheid. Overweging 48 van deze richtlijn verwijst naar zorgvuldigheidsverplichtingen die op de dienstenaanbieders kunnen rusten en die bij nationale wet zijn vastgesteld. De richtlijnwetgever zou duidelijk moeten maken of het voorgestelde art. 13 een Pro gedeeltelijke harmonisatie van de zorgvuldigheidsverplichting behelst. Onder de
hosting safe harborzijn de platforms thans wel verplicht mee te werken aan de uitoefening van het auteursrechtelijk verbodsrecht, maar niet om licenties te sluiten voor het uploaden door gebruikers van audiovisueel materiaal en daarvoor vergoedingen aan rechthebbenden te betalen.”
wel een aanvulling op de e-Commercerichtlijnbehelst:
.
)”
andersdan in het oorspronkelijke voorstel – expliciet vermeld dat de DSM-richtlijn de e-Commercerichtlijn
aanvult(considerans onder 4). De tekst van dit voorstel bevat verder de volgende voor onze zaak relevante passages:
Online content sharing services providing access to a large amount of copyright- protected content uploaded by their users have developed and have become main sources of access to content online. Legal uncertainty exists as to whether such services engage in copyright relevant acts and need to obtain authorisations from rightholders for the content uploaded by their users who do not hold the relevant rights in the uploaded content, without prejudice to the application of exceptions and limitations provided for in Union Law. This situation affects rightholders' possibilities to determine whether, and under which conditions, their content is used as well as their possibilities to get appropriate remuneration for it. It is therefore important to foster the development of the licensing market between rightholders and online content sharing service providers. These licensing agreements should be fair and keep a reasonable balance for both parties. Rightholders should receive an appropriate reward for the use of their works or other subject matter.
This Directive clarifies under which conditions the online content sharing service providers are engaging in an act of communication to the public or making available to the public within the meaning of Article 3(1) and (2) of Directive 2001/29/EC.It does not change the concept of communication to the public or of making available to the public under Union law nor does it affect the possible application of Article 3(1) and (2) of Directive 2001/29/EC to other services using copyright-protected content.
Deleted.
Taking into account the fact that online content sharing service providers give access to content which is not uploaded by them but by their users, it is appropriate to provide that, for cases where no authorisation has been obtained by the services and, for the purpose of this Directive, they should not be liable for unauthorised acts in specific, well-defined circumstances, when they demonstrate that they have acted in a diligent manner with the objective to prevent such unauthorised acts, without prejudice to remedies under national law for cases other than liability for copyright infringements and to the possibility for national courts or administrative authorities of issuing injunctions.In particular, they should not be liable if some unauthorised content is available on their services despite their best efforts to prevent its availability by applying effective and proportionate measures based on the information provided by rightholders. In addition, for the online content sharing service providers not to be liable, they should also in any case, upon notification by rightholders of specific unauthorised works or other subject-matter, act expeditiously to remove or disable access to these and make their best efforts to prevent their future availability.
Member States shall provide that an online content sharing service provider performs an act of communication to the public or an act of making available to the public when it gives the public access to copyright protected works or other protected subject matter uploaded by its users.
Deleted.
When an online content sharing service provider performs an act of communication to the public or an act of making available to the public, it shall not be eligible for the exemption of liability provided for in Article 14 of Directive 2000/31/EC for unauthorised acts of communication to the public and making available to the public, without prejudice to the possible application of Article 14 of Directive 2000/31/EC to those services for purposes other than copyright relevant acts.
In the absence of the authorisation referred to in the second subparagraph of paragraph 1, Member States shall provide that an online content sharing service provider shall not be liable for acts of communication to the public or making available to the public within the meaning of this Article when:
mededeling aan het publiekdoet wanneer zij toegang geeft tot auteursrechtelijk beschermd werk dat wordt
geüpload door haar gebruikers. Ook is geregeld dat wanneer een online service provider een mededeling aan het publiek doet, deze
geenberoep kan doen op de
vrijstellingsregelinguit art. 14 van Pro de richtlijn elektronische handel (lid 3). Wel geldt er een aansprakelijkheidsexoneratie wanneer aan de voorwaarden uit lid 4 wordt voldaan (te weten: de online service provider heeft effectieve maatregelen getroffen om auteursrechtinbreuk te voorkomen). Achtergrond van deze exoneratie is dat de content niet door de online service provider zelf, maar door de gebruikers wordt geüpload (considerans 38c). In de considerans onder 38c is verder uitdrukkelijk bepaald dat deze vrijstelling
niet afdoet aan de mogelijkheid om een verbod op te leggen aan de online service provider.
Directive on Copyright in the Digital Single Marketvoor zover van belang voor ons onderwerp (citaat zonder voetnoten):
Google France [37] door het HvJ EU onder verwijzing naar considerans 42 van de e-Commercerichtlijn geoordeeld dat de aansprakelijkheidsexoneraties uitsluitend gelden voor gevallen waarin de activiteit van de aanbieder van online diensten een “louter technisch, automatisch en passief” karakter heeft, waarbij deze aanbieder “noch kennis noch controle heeft over de informatie die wordt doorgegeven of opgeslagen” [38] .
per se. Advocate General Jääskinen in his Opinion on
L’Oréalwas adamant on this point: “[t]he three articles intend to create exceptions to certain
types of activityexercised by a service provider. To my understanding, it is inconceivable to think that they would purport to exempt a
service provider typeas such.” As a result, a single company can at the same time act as a host, cache provider and mere conduit, as well as providing other unimmunised services, such as search: each action of the company must be assessed individually. The AG applies this logic to eBay: “the hosting of the information provided by a client may well benefit from an exemption if the conditions of Article 14 of Directive 2000/31 are satisfied. Yet the hosting exception does not exempt eBay from any potential liability it may incur in the context of its use of a paid internet referencing service.”
Reikwijdte vrijstellingsregeling voor wat betreft civiele aansprakelijkheid beperkt tot schadevergoedingsvorderingen?
McFadden-arrest [42] waarin het HvJ EU is ingegaan op de reikwijdte van de vrijstelling van art. 12 (mere conduit) e-Commercerichtlijn. Uit deze uitspraak leid ik af dat de vrijstelling van aansprakelijkheid (in art. 12 lid Pro 1) zich beperkt tot de vrijwaring van een vordering tot
schadevergoeding. Door de formulering “in elk geval” in punt 74 van het arrest (hierna geciteerd) zou hierover getwijfeld kunnen worden, maar naar mij wil voorkomen is daarmee bedoeld dat vrijwaring van een schadevergoedingsclaim niet uitsluit dat op grond van art. 12 lid 3 aan Pro de dienstverlener wel een inbreukverbod kan worden opgelegd (zie punten 76-79):
McFaddenzo:
Stokke/Marktplaats [46] zaak dat de vrijwaring voor host-diensten (art. 6:196c lid 4 BW) ziet op “vrijwaring voor strafrechtelijke aansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor schade, en niet op ‘vrijwaring’ voor een verbod of bevel tot voorkoming of beëindiging van een onrechtmatige toestand” (rov. 7.9).
McFadden-arrest geleerd dat de vrijstellingsregeling uit de e-Commercerichtlijn is beperkt tot schadevergoedingsvorderingen:
BGHging früher davon aus, dass die Privilegierungen Unterlassungsansprüche unberührt ließen, und begründete diese Ansicht in erster Linie damit, dass in den Art. 12 III Pro bis 14 III ECRL = § 7 II 2 TMG Verpflichtungen zur Entfernung und Sperrung von Informationen nach den allgemeinen Gesetzen unberührt bleiben. Allerdings ergaben sich Zweifel an dieser Ansicht daraus, dass der
EuGHdie Privilegierungen wiederholt auch auf Unterlassungsansprüche angewandt hat. Auch der
I. Zivilsenatscheint sich, anders als der für das Persönlichkeitsrecht zuständige
VI. Zivilsenat, von seiner früheren Ansicht abzuwenden. Im Fall „Hotelbewertungsportal“ wendet er § 7 II 1 TMG an und bezieht auch § 10 TMG in seine Überlegungen ein. Tatsächlich erscheint eine differenzierende Lösung zutreffend. Erstens bleibt nach Art. 12 III Pro und 14 III ECRL, die in § 7 II 2 TMG verallgemeinert wurden, nur die Pflicht zur Verhinderung
konkreterRechtsverletzungen unberührt. Das Verbot allgemeiner Überwachungspflichten im Schutzbereich der §§ 8 bis 10 TMG wird vom
BGHalso zu Recht auch auf Unterlassungsansprüche angewandt. Im Übrigen ist zwischen § 8 und § 10 TMG zu differenzieren. Zugangsvermittler werden durch Art. 12 I ECRL = § 8 I TMG von allen Pflichten freigestellt. Diese Privilegierung kann für Unterlassungsansprüche nicht gelten, weil ansonsten Art. 12 III Pro ECRL = § 7 II 2 TMG leerliefe. Der
EuGHhat daher angenommen, dass Unterlassungsansprüche gegen Telekommunikationsunternehmen und die Betreiber von W- LAN-Netzen gerichtet und dass ihnen auch Abmahnkosten auferlegt werden können. Etwas anders stellt sich die Lage bei Art. 14 I ECRL = § 10 I TMG dar, weil hier nicht nur negativ eine Haftungsbefreiung erfolgt, sondern positiv ein Pflichtenprogramm vorgegeben wird: Hosts haben keine allgemeine Überwachungspflicht, müssen aber auf einen Hinweis reagieren. Dieses System muss auch für Unterlassungsansprüche gelten. Insbesondere besteht also keineswegs gem. Art. 14 III Pro ECRL = § 7 II 2 TMG eine allgemeine Überwachungspflicht, die nur für Schadensersatzansprüche auf „notice and action“ eingeschränkt wurde. In diesem Punkt entsprechen sich die Verkehrspflichten, die der
BGHfür Intermediäre aufstellt, und die Privilegierung des § 10 I TMG. Beide enthalten dasselbe Pflichtenprogramm. § 10 I TMG gestaltet also die Verkehrspflichten aus und sollte systematisch auch an dieser Stelle, nicht erst als Haftungsausschlussgrund, geprüft werden.“
.With regard to injunctive relief the language of the Directive seemed clear. Moreover, despite the criticism the RICARDO judgment of 2004 has given rise to, it still seems clear to the Court in that injunctive relief is not fully privileged. “
“The Court consider[s] [the safe harbor principle] to apply fully to criminal liability and liability for damages, but not injunctive relief.”[voetnoot 52: het hiervoor genoemde artikel van Bornkamm]
The court considered that interpretation to be “acte clair” (beyond doubt) and therefore did not refer the issue to the CJEU[voetnoot 53: Matthias Leistner, Common Principles of Secondary Liability?, in Common Principles of European Intellectual Property Law (Ansgar Ohly ed.), at 125]”
acte clairand therefore did not even refer the issue to the ECJ.”
not be liable for damages or for any other pecuniary remedy or for any criminal sanction as a result of that storagewhere —
In addition the liability limitations apply only to monetary damages,meaning that the E-Commerce Directive does not prevent the grant of injunctions imposed upon online intermediaries in accordance with the member states’ legal systems”.
limits damages liabilityof information society service providers when they act in one of the intermediary roles identified by the Directive, i.e. mere conduit, caching and hosting. Before describing the liability standards that apply to each of these functions, it is important to make some general comments that apply to all three standards. First, the liability limitations are established in a horizontal manner, so that they apply to all kinds of illegal material provided by third parties, including copyright, trademark, defamatory statements, pornography, etc. Second, as regards the types of liability covered by the Directive, it should be noted that the liability limitations apply not only to civil but also to criminal liability.
Third, it is also important that the liability limitations apply only to damages liability.Thus, the Directive does not prevent injunctions from being imposed upon online intermediaries.
explanatory memorandumbij het richtlijnvoorstel lijkt te volgen dat men voor wat betreft civiele aansprakelijkheid dacht aan “claims for damages” (zie de citaten in voetnoot 44 hiervoor).
Lycos/Pesserszaak [57] al wel uitgelaten over de reikwijdte van de vrijstelling van aansprakelijkheid in de e-Commercerichtlijn. De positie van Lycos in die zaak “dat de Richtlijn niet toelaat dat een hosting provider gehouden kan worden de NAW-gegevens van de betrokken websitehouder bekend te maken aan degene die de vordering instelt, omdat de Richtlijn een als uitputtend bedoelde regeling bevat die ertoe strekt dat een hosting provider uitsluitend civielrechtelijk of strafrechtelijk aansprakelijk is wanneer aan de in art. 14 van Pro de Richtlijn gestelde voorwaarden niet is voldaan” (rov. 5.1.2), werd door Uw Raad verworpen (rov. 5.1.6), waarvoor steun werd gevonden in de considerans onder 48 (rov. 5.1.4):
Verhouding vrijstellingsregeling versus onrechtmatige daad
Stokke/Marktplaats [59] zaak over deze vraag gebogen in een zaak waarin het ging om host-diensten (art. 14 lid 1 van Pro de richtlijn). Dit hof oordeelde – anders dan het Amsterdamse hof in onze zaak – dat de vrijwaring van aansprakelijkheid voor host-diensten exonereert voor strafrechtelijke aansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor schade (rov. 7.9) en dat dit niet betekent dat de host niet onzorgvuldig zou kunnen handelen (rov. 7.11):
TK, 2001-2002, 28 197, nr. 3, par. 16).”
FTD/Eyeworksarrest [60] (daterend van vóór
Stokke/Marktplaats), nu volgens haar een ISP niet onrechtmatig handelt indien hij aan de voorwaarden van art. 6:196c BW voldoet:
L’Oréal/eBay [63] , waar het ging om de uitleg van art. 11 lid 3 Handhavingsrichtlijn Pro, heeft HvJ EU dit geëxpliciteerd:
McFadden-zaak: de reikwijdte van de
hosting safe harboruit de e-Commercerichtlijn lijkt beperkt tot schadevergoedingsvorderingen, maar omdat die uitspraak beperkt is tot art. 12 (mere conduit)-materie en wij in onze zaak vooral te maken hebben met art. 14 (hosting), is dit niet zonder gerede twijfel.
McFadden) maar ook art. 14 (hosting) van de e-Commercerichtlijn voor wat betreft de civiele aansprakelijkheid beperkt is tot schadevergoedingsvorderingen. De vraag naar de reikwijdte van die vrijstellingsregeling is voor (alleen) art. 12 immers Pro al eens door het Landgericht München aan het HvJ EU voorgelegd in de
Mc Faddenzaak. Daarin werd deze vraag voorgelegd:
McFaddenkan worden doorgetrokken naar art. 14 (hosting), waar andere criteria voor gelden dan voor mere conduit situatie uit art. 12 en Pro in onze zaak gaat het vooral om hosting. Het ligt wel enigszins voor de hand gelet op de structuur van beide bepalingen dat dit als een acte clair kan gelden (zie ook de Duitse en Engelse rechtspraak weergegeven in resp. 2.29 en 2.30, maar dat dateert van vóór de recente perikelen rond de DSM-richtlijn), maar voorzichtigheidshalve pleit ik voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt, waarvoor ik de volgende voorzet geef:
ontkennendwordt beantwoord, lijkt het nuttig om – mede gelet op de weerbarstige ontwikkeling van het DSM-richtlijnvoorstel (zie hiervoor onder 2.14-2.18) – de volgende vragen te stellen over de verhouding tussen de vrijstellingsregeling in de e-Commercerichtlijn en art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn Pro:
L’Oréal/eBay) ?
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
eerste onderdeelis gericht tegen rov. 3.3.3 TA 1, waarin het hof heeft overwogen dat voor zover NSE artikelen vanaf haar servers aan gebruikers (de abonnees van haar resellers en de gebruikers die bij andere Usenetproviders zijn aangesloten) ter beschikking stelt, er sprake is van een interventie die ertoe leidt dat een nieuw publiek wordt bereikt. Ik geef hier ook de daaraan voorafgaande rov. 3.3.2 weer:
The Pirate Bay-arrest [66] :
door een ander“minder moeilijk” maakt een directe auteursrechtinbreuk? Neen. Die omstandigheid toont slechts aan dat TPB een “onontkoombare actor” is bij het toegang verschaffen (rov. 37). Dit vervult op zijn beurt de in de doctrine van het Hof noodzakelijke voorwaarde van de “centrale rol van de gebruiker” en het “weloverwogen karakter van diens interventie”, zie rov. 26. De reden en strekking van deze eisen is echter duister; zij moet nog ooit door het Hof uit de doeken worden gedaan. Tot die dag is het “moeilijker delen”-criterium alleen maar verwarrend en storend.”
Filmspeleren
The Pirate Bayen dan lijkt de stap naar een Usenet-provider niet groot – zij het dat Usenet niet “in het leven is geroepen om inbreuk te plegen of van zichzelf gericht is op het faciliteren daarvan”, om het in de woorden van het in 2.40 geciteerde TA 1, rov. 3.8.3 te zeggen. Het is zodoende nog wel degelijk een te nemen stap. En sinds de verschillen tussen de Milanese tandartswachtkamer (muziek in die wachtkamer is geen mededeling aan het publiek) en het Duitse revalidatiecentrum (TV-programma’s in die (twee) wachtkamer(s) en de trainingsruimte vormen wel een mededeling aan het publiek), die ik niet kan uitleggen, ben ik het spoor wat dat betreft een beetje bijster [68] . Het is onvoorspelbaarheid troef. Deze wordt in onze zaak nog vergroot door het gezwalk in de wordingsgeschiedenis van de DSM-richtlijn, zoals die eerder in deze conclusie uit de doeken is gedaan. Tekenend daarvoor is wel de hiervoor al in 2.17 geciteerde considerans 37 van dit voorstel: