Conclusie
daadwerkelijkebuitenlandse belangstelling voor de opdracht was. Exterion voert een vergelijkbaar betoog in haar cassatieberoep (zaaknummer 16/06247).
1.Feiten
2.Het procesverloop
PbEUL 94 d.d. 28 maart 2014) zijn omgezet. Deze nieuwe richtlijn is van toepassing op concessies met een waarde gelijk aan of groter dan € 5.186.000,--. In het onderhavige geval is voormelde richtlijn niet van toepassing. De relevante feiten hebben zich allemaal voorgedaan, voordat deze nieuwe richtlijn in werking is getreden; Exterion heeft op 15 maart 2016 via een persbericht bekendgemaakt dat de samenwerking met RET zou worden voortgezet en RET heeft het bestaan van deze overeenkomst bij persbericht van 18 maart 2016 erkend. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de bepalingen uit deze richtlijn, voor zover ze rechtstreekse werking hebben, anticiperend toe te passen. Dit zou in strijd komen met de rechtszekerheid.
duidelijk grensoverschrijdend belang … weer te geven van concessies voor ondernemers die gevestigd zijn in andere lidstaten dan die van de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie”.
totale tijdens de looptijd van het contract te behalen omzet van de concessiehouder, exclusief btw, zoals deze door de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie is geraamd, als tegenprestatie voor de werken en diensten die het voorwerp van de concessie uitmaken, en ook voor de bijkomende leveringen die in het kader van deze werken en diensten zijn verricht”. JCDecaux heeft de omzet geraamd op circa € 100 miljoen. De hoogte van dit bedrag is door RET c.s. en Exterion niet gemotiveerd bestreden. RET c.s. hebben op hun beurt aangevoerd dat moet worden uitgegaan van de waarde die moet worden toegekend aan de plaatsing, beheer en onderhoud van de reclameobjecten, die Exterion ten behoeve van RET c.s. verricht. Zonder een concreet bedrag te noemen hebben RET c.s. gesteld dat deze waarde niet hoog genoeg is om buitenlandse gegadigden aan te trekken (rov. 35.).
3.Juridisch kader
Het doel van het aanbestedingsrecht
Europese beginselen van aanbestedingsrecht
ex antebeoordeling) vaststellen of de te verlenen opdracht aan dit criterium voldoet. De aanbestedende dienst moet dus een inschatting kunnen maken van het belang van de opdracht voor partijen uit andere lidstaten. Verder moet voorkomen worden dat een binnenlandse partij, die de opdracht heeft misgelopen, zich genoodzaakt ziet buitenlandse partijen te benaderen om – al dan niet voor de vorm – in rechte als mede-eiser op te treden teneinde aan te tonen dat er belangstelling uit het buitenland was.
duidelijk grensoverschrijdende belang … weer te geven van concessies voor ondernemers die gevestigd zijn in andere lidstaten dan die van de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie.”Het voornemen tot het gunnen van een concessie moet bekend worden gemaakt met een concessieaankondiging (art. 31 Richtlijn Pro). De Richtlijn Concessieovereenkomsten diende uiterlijk op 18 april 2016 te worden geïmplementeerd, hetgeen in Nederland overigens pas op 1 juli 2016 is gebeurd (randnummer 3.4).
Tijdschrift Vastgoed Fiscaal & Civielwordt de lijn van het Haagse hof verdedigd en de insteek van het Bossche hof onjuist geacht: [48]
“waarschijnlijk is dat ondernemingen uit andere lidstaten bij een marktbevraging belangstelling zouden hebben getoond.”Het uiten van daadwerkelijke belangstelling is niet vereist, maar het is niet voldoende als het bestaan van duidelijk grensoverschrijdend belang slechts niet kan worden uitgesloten. Met dit laatste lijkt in ieder geval van tafel te zijn dat alle opdrachten in Nederland zonder meer een duidelijk grensoverschrijdend belang zouden hebben, vanwege de nabijheid van de grenzen met België en Duitsland. Zodra een duidelijk grensoverschrijdend belang eenmaal vaststaat, geldt de transparantieverplichting overigens niet alleen jegens ondernemingen uit andere lidstaten, maar jegens elke potentiële inschrijver.”
4.Beoordeling van de klachten
Onderdeel 1valt uiteen drie subonderdelen en klaagt over de invulling door het hof van het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’.
Onderdeel 2valt uiteen in twee subonderdelen en richt zich tegen rov. 38. en 40. Het hof zou ten onrechte hebben verworpen dat voor het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang
waarschijnlijkmoet zijn dat ondernemingen uit andere lidstaten bij een marktbevraging belangstelling zouden hebben getoond. Het hof acht een ‘reële mogelijkheid van buitenlandse belangstelling’ voldoende.
Onderdeel 3kent eveneens twee subonderdelen en richt zich tegen rov. 40. waar het hof overweegt dat JCDecaux Nederland, Exterion en Clear ChanneL Netherlands B.V. [50] alle drie deel uitmaken van internationale concerns en dat (potentiële buitenlandse belangstelling er ook uit kan bestaan dat ondernemingen uit andere lidstaten zich permanent in Nederland hebben gevestigd, of Nederlandse ondernemingen hebben geacquireerd.
subonderdeel 1a. Blijkens de rechtspraak van het HvJ EU dient de vraag of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante factoren, dat wil zeggen zowel het economische belang van de geplande overeenkomst als de plaats van uitvoering en de technische kenmerken daarvan. Eén van deze factoren kan derhalve niet op zichzelf reeds maken dat sprake is van een ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’. Zij dienen in samenhang te worden beschouwd. [51]
subonderdeel 1b,onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof geen aanwijzingen ontleent aan de andere door het HvJ EU genoemde factoren. Louter op het substantiële economische belang van de overeenkomst kan het hof zijn oordeel niet stoelen.
subonderdeel 1c, onbegrijpelijk omdat geen aanwijzing voor het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang wordt ontleend aan de technische kenmerken en de plaats van uitvoering van de opdracht. Zowel RET c.s. als Exterion hebben in feitelijke instantie aangevoerd waarom de overeenkomst gelet op zowel de plaats van uitvoering als de technische kenmerken van de opdracht geen grensoverschrijdend belang maar juist een lokaal karakter hebben. In dit verband hebben zij erop gewezen dat voor het onderhoud en beheer van abri’s en reclamepanelen lokale aanwezigheid en lokaal personeel vereist is, als ook kennis van de lokale markt en de relevante wet- en regelgeving. [52] Deze stellingen zijn gepasseerd. Het oordeel van het hof is daarom onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 1afaalt.
waarschijnlijkis dat ondernemingen uit andere lidstaten bij een marktbevraging belangstelling zouden hebben getoond. In de Tecnoedi-zaak is het economisch belang veel minder groot, het met de overeenkomst gemoeide bedrag blijft immers onder de drempelwaarde van de toepasselijke richtlijn, zodat de plaats van uitvoering meer gewicht toekomt bij de beantwoording van de vraag of (alsnog) sprake is van ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’.
subonderdelen 1b en 1c.
subonderdeel 2a, met deze overwegingen van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Het hof heeft een te abstracte en te laagdrempelige toets aangelegd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Het hof had, gelet op jurisprudentie van het HvJ EU, een concrete toetsing moeten uitvoeren. [54] De enkele abstracte mogelijkheid van een dergelijk belang is onvoldoende. [55] Dat een duidelijk grensoverschrijdend belang niet te snel moet worden aangenomen ligt, aldus het subonderdeel, voor de hand omdat het hier gaat om een uitzondering op de in de EU-wetgeving bestaande hoofdregel dat voor dienstenconcessies geen aanbestedingsplicht geldt. [56]
subonderdeel 2b, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. In feitelijke instanties hebben RET c.s. en Exterion aangevoerd dat het in dit concrete geval juist niet waarschijnlijk is dat ondernemingen uit andere lidstaten bij een aanbesteding interesse getoond zouden hebben, aangezien bij aanbestedingen van soortgelijke contracten slechts door lokale marktpartijen is ingeschreven. [57]
Subonderdeel 2afaalt derhalve. Niet gezegd kan worden dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd. De stelling dat bij aanbestedingen van soortgelijke contacten slechts door lokale (dat wil zeggen Nederlandse) partijen is ingeschreven, heeft het hof blijkens rov. 40. in zijn beoordeling betrokken. Deze enkele stelling behoefde het hof mijns inziens niet tot een ander oordeel te brengen, reeds omdat uit deze stelling niet volgt dat de bedoelde contracten eenzelfde economische waarde vertegenwoordigden als de onderhavige concessie.
Subonderdeel 2btreft dus evenmin doel.
subonderdeel 3a, althans is ontoereikend gemotiveerd. Voor de vraag of sprake is een duidelijk grensoverschrijdend belang moet worden gekeken naar de hoedanigheid van de inschrijver zelf en niet naar de groep waarvan hij deel uitmaakt. De omstandigheid dat de inschrijver in een groep verbonden is met andere buitenlandse vennootschappen levert op zichzelf geen indicatie op dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Het hof heeft ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, overwogen dat, omdat JCDecaux Nederland deel uitmaakt van een internationaal concern, het feit dat JCDecaux Nederland en niet JCDecaux SA heeft ingeschreven op aanbestedingen voor soortgelijke diensten, niet zonder meer op het ontbreken van een duidelijk grensoverschrijdende belang wijst.
subonderdeel 3b.
acte clair [60] of
acte éclairé. [61] In de onderhavige zaak is mijns inziens – hoewel na deze cassatie geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – geen sprake van een verwijzingsplicht. Het gaat hier immers om een kort geding-procedure. Verder heeft het HvJ EU in verschillende arresten (waaronder Belgacom en Tecnoedi) reeds invulling gegeven aan het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’, zodat zo bezien zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van een acte éclairé.