ECLI:NL:PHR:2018:826
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-indienen middelen
De verdachte is bij arrest van 30 januari 2017 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep vond plaats op 9 december 2017, waarna de termijn voor het indienen van cassatiemiddelen op 9 februari 2018 afliep.
Binnen deze termijn zijn geen schrifturen houdende cassatiemiddelen ingediend door de raadsman van de verdachte. De raadsman heeft bovendien per brief laten weten geen middelen te zullen indienen. Hierdoor voldoet het cassatieberoep niet aan de vereisten van artikel 437 lid 2 Sv Pro, waardoor de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt ertoe dat het cassatieberoep wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.