Conclusie
1.Feiten
”Wij zijn begin dit jaar reeds twee nieuwe overeenkomsten aangegaan voor enerzijds de exploitatie van de huidige abri’s en anderzijds de exploitatie van de reclame-info-objecten, en hebben de oude overeenkomsten in wederzijdse overeenstemming beëindigd. Zoals bij u bekend zijn wij een private stichting. Wij zijn niet (Europees) aanbestedingsplichtig. Om ons moverende redenen hebben we dit jaar in tegenstelling tot in 2010 besloten om geen nadere offerte aanvraag bij meerdere partijen te doen. De nieuwe overeenkomsten eindigen eerst op 31 december 2021. Dit betekent dat wij eind 2015/begin 2016 geen aanbesteding zullen houden voor de exploitatie van abri’s en/of reclame-info-objecten.”
2.Het procesverloop
3.Juridisch kader
Het doel van het aanbestedingsrecht
Europese beginselen van aanbestedingsrecht
ex antebeoordeling) vaststellen of de te verlenen opdracht aan dit criterium voldoet. De aanbestedende dienst moet dus een inschatting kunnen maken van het belang van de opdracht voor partijen uit andere lidstaten. Verder moet voorkomen worden dat een binnenlandse partij, die de opdracht heeft misgelopen, zich genoodzaakt ziet buitenlandse partijen te benaderen om – al dan niet voor de vorm – in rechte als mede-eiser op te treden teneinde aan te tonen dat er belangstelling uit het buitenland was.
duidelijk grensoverschrijdende belang … weer te geven van concessies voor ondernemers die gevestigd zijn in andere lidstaten dan die van de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie.”Het voornemen tot het gunnen van een concessie moet bekend worden gemaakt met een concessieaankondiging (art. 31 Richtlijn Pro). De Richtlijn Concessieovereenkomsten diende uiterlijk op 18 april 2016 te worden geïmplementeerd, hetgeen in Nederland overigens pas op 1 juli 2016 is gebeurd (randnummer 3.4).
Tijdschrift Vastgoed Fiscaal & Civielwordt de lijn van het Haagse hof verdedigd en de insteek van het Bossche hof onjuist geacht: [47]
“waarschijnlijk is dat ondernemingen uit andere lidstaten bij een marktbevraging belangstelling zouden hebben getoond.”Het uiten van daadwerkelijke belangstelling is niet vereist, maar het is niet voldoende als het bestaan van duidelijk grensoverschrijdend belang slechts niet kan worden uitgesloten. Met dit laatste lijkt in ieder geval van tafel te zijn dat alle opdrachten in Nederland zonder meer een duidelijk grensoverschrijdend belang zouden hebben, vanwege de nabijheid van de grenzen met België en Duitsland. Zodra een duidelijk grensoverschrijdend belang eenmaal vaststaat, geldt de transparantieverplichting overigens niet alleen jegens ondernemingen uit andere lidstaten, maar jegens elke potentiële inschrijver.”
4.Beoordeling van de klachten
eerste onderdeelricht zich tegen het oordeel in rov. 3.9. dat de aanwezigheid van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet snel dient te worden aangenomen. Het onderdeel komt verder op tegen de overweging in rov. 3.9. dat voor het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang positieve/concrete aanwijzingen aan de orde moeten zijn die door de partij die zich beroept op een dergelijk belang moeten worden gesteld en aannemelijk gemaakt dan wel bewezen.
Subonderdeel 1.2voegt daaraan toe dat het oordeel ook getuigt van een onjuiste rechtsopvatting als het hof heeft bedoeld dat in beginsel, tenzij het tegendeel blijkt, moet worden vermoed dat bij een concessieovereenkomst voor diensten geen grensoverschrijdend belang bestaat. Een dergelijk vermoeden zou hooguit gelden voor concessieovereenkomsten die vallen onder bijlage II-B bij Richtlijn 2014/18/EG (B-diensten). De Europese wetgever is immers uitgegaan van het vermoeden dat de opdrachten voor het verlenen van deze diensten, gelet op het specifieke karakter ervan,
a priorigeen grensoverschrijdend belang hebben.
Subonderdeel 1.1treft daarom geen doel. Verder biedt de bestreden overweging geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het hof heeft bedoeld dat in beginsel, tenzij het tegendeel blijkt, moet worden vermoed dat bij een concessieovereenkomst voor diensten geen grensoverschrijdend belang bestaat. Dit betekent dat ook
subonderdeel 1.2ongegrond is.
subonderdeel 1.3zou het hof met zijn in rov. 3.9. gegeven oordeel hebben miskend dat het allereerst aan de aanbestedende dienst is om aan de hand van objectieve criteria te beoordelen of de regels van het aanbestedingsrecht dienen te worden gevolgd. Althans zou het hof hebben miskend dat, wanneer een marktpartij zich op het standpunt stelt dat ten onrechte niet de beginselen van Europees recht en afdeling 1.2.2 Aanbestedingswet 2012 (oud) in acht zijn genomen, het aan de rechter is om aan de hand van de door partijen naar voren gebrachte objectieve criteria te beoordelen of bij de concessie een duidelijk grensoverschrijdend belang bestaat.
tweede onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof in rov 3.10. dat aan de omstandigheid dat het in Nederland gevestigde JCDecaux een Franse moedermaatschappij heeft, niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat een duidelijk grensoverschrijdend belang aanwezig is. Het onderdeel komt verder op tegen de overweging dat hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat CCH en Exterion ook een link met buitenlandse ondernemingen hebben.
subonderdeel 2.1heeft het hof miskend dat voor de vraag of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang beslissend is of ondernemingen uit een andere lidstaat geïnteresseerd kunnen zijn in de opdracht en dat daarbij niet maatgevend is door welke onderneming van een concern/groep de interesse kenbaar wordt gemaakt. De wijze waarop een internationaal concern is ingericht, zou niet van invloed zijn op de vraag of dit rechten kan ontlenen aan de fundamentele regels en algemene beginselen van het VWEU. Een ander oordeel zou indruisen tegen de vrijheid van vestiging (art. 49 VWEU Pro).
subonderdeel 2.2wordt naar voren gebracht dat JCDecaux onder verwijzing naar een economische rapportage heeft aangevoerd dat zij geen
stand alonevennootschap is, dat er sprake is van een door heel Europa actief opererend concern dat teneinde succesvol te zijn in elk land een lokale entiteit opricht, dat de Nederlandse vennootschap wordt aangestuurd vanuit Parijs, dat haar resultaat uiteindelijk toekomt aan de aandeelhouders van de Franse moeder en dat gebruikmaking van een Nederlandse entiteit niet afdoet aan de identiteit van de onderneming. [50] Het hof zou op die stellingen onvoldoende zijn ingegaan.
subonderdeel 2.4van een onjuiste rechtsopvatting. Daarmee zou het hof miskennen dat aan de hand van de objectieve kenmerken van de concessie moet worden beoordeeld of hiervoor interesse van een buitenlandse onderneming kan bestaan, terwijl niet is vereist dat een buitenlandse vennootschap daadwerkelijk interesse heeft getoond.
derde onderdeelkomt op tegen de overweging in rov. 3.11. dat de stelling van JCDecaux dat reclameconcessies veelvuldig worden aanbesteed niet meebrengt dat daartoe een aanbestedingsrechtelijke verplichting bestond noch dat voor die aanbestedingen belangstelling uit het buitenland bestond. Verder klaagt het onderdeel over het oordeel in rov. 3.12. dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet zozeer moet worden gekeken naar de partijen die zich op de betreffende markt begeven, maar veeleer naar de objectieve aspecten van de opdrachten zelf.
Subonderdeel 3.2wijst op de stelling van JCDecaux dat er bij deze aanbestedingen stelselmatig interesse is van buitenlandse partijen. [52] Het hof zou daarop onvoldoende hebben gerespondeerd.
plichtbestond. Overigens is gesteld noch gebleken dat de door het subonderdeel genoemde aanbestede reclameconcessies vergelijkbaar waren met de onderhavige concessie.
subonderdeel 3.2treft mijns inziens geen doel. Voor de stelling dat er bij deze aanbestedingen stelselmatig interesse is van buitenlandse partijen heeft JCDecaux verwezen naar p. 4 sub b van de memorie van grieven. In dit randnummer is slechts aangedragen dat JCDecaux al hetgeen herhaalt dat zij in eerste aanleg heeft gesteld en dat al datgene als woordelijk herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Verder heeft JCDecaux voor deze stelling verwezen naar randnummer 36 van haar pleitaantekeningen in eerste aanleg dat als volgt luidt:
vierde onderdeelricht zich tegen de vaststelling in rov. 3.12. dat JCDecaux als objectieve aspecten van de opdracht slechts naar voren heeft gebracht dat de concessieovereenkomsten een aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigen (meer dan de drempelwaarde van Richtlijn 2014/23/EU) en dat de plaats van uitvoering, Eindhoven, nabij de landsgrens ligt.
subonderdeel 4.1zou die vaststelling getuigen van een onbegrijpelijke lezing van de gedingstukken. JCDecaux wijst er daartoe op dat zij ook heeft aangevoerd dat de litigieuze reclamediensten onder Richtlijn 2004/18/EG als A-diensten werden aangemerkt (diensten die vallen onder Bijlage II-A bij Richtlijn 2004/18/EG), [53] en dat de Europese Commissie in het kader van staatssteun heeft aangenomen dat reclameconcessies een grensoverschrijdend belang hebben. [54] Subonderdeel 4.2voegt hieraan toe dat ’s hofs oordeel onjuist of onbegrijpelijk is, omdat aan de voornoemde stellingen geen (kenbare) aandacht is besteed.
vierde onderdeelkan niet tot cassatie leiden. Richtlijn 2004/18/EG is namelijk (onverminderd de toepassing van art. 3 (het verbod van discriminatie)) niet van toepassing op concessieovereenkomsten voor diensten (art. 17 Richtlijn Pro 2004/18/EG). De stelling dat de litigieuze reclamediensten als A-diensten in de zin van Richtlijn 2004/18/EG werden aangemerkt, kan daarom niet als juist worden aanvaard en kan om die reden bij (nadere) beoordeling ook niet tot een andere uitkomst leiden. Op de stelling dat de Europese Commissie in het kader van staatssteun zou hebben aangenomen dat reclameconcessies grensoverschrijdend belang hebben, behoefde het hof mijns inziens evenmin in te gaan. Uit de aangehaalde randnummers van de memorie van grieven blijkt dat JCDecaux hierbij het oog heeft op een beslissing van de Europese Commissie over een reclameconcessie van de stad Brussel. Het ligt echter niet zonder meer in de rede dat de onderhavige concessie daarmee qua omvang en belang vergelijkbaar zou zijn. Het hof behoefde daarom niet apart op deze stelling te responderen.
vijfde onderdeelkomt op tegen de overweging in rov. 3.12. dat JCDecaux omstandigheden diende te stellen en aannemelijk te maken waaruit kan worden afgeleid dat er daadwerkelijke interesse uit het buitenland zal zijn en dat JCDecaux dit onvoldoende heeft gedaan. Het onderdeel richt zich voorts tegen het oordeel in rov. 3.13. dat het feit dat het drempelbedrag uit de richtlijn wordt overschreden niet zonder meer tot de conclusie leidt dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang, omdat die richtlijn destijds nog niet in werking was getreden en anticipatie gezien de rechtszekerheid niet aan de orde is.
kunnenzijn in de opdracht. Bij juistheid van dit uitgangspunt is het in rov. 3.12. geformuleerde criterium (‘daadwerkelijke interesse vanuit het buitenland’) te streng. Ik meen dat dit het geval is. Uit het Belgacom-arrest blijkt dat niet is vereist dat vast komt te staan dat buitenlandse marktdeelnemers daadwerkelijk belangstelling hebben getoond (hiervoor randnummer 3.12). In de aangehaalde overweging is dus een te streng criterium aangelegd.
Subonderdeel 5.1is in zoverre gegrond.
kunnenzijn in de betreffende opdracht. Daarmee rijst de vraag of JCDecaux belang heeft bij de klacht. Ik beantwoord die vraag bevestigend. Het arrest kan mijns inziens ook op de hierna te bespreken, in onderdeel 5 en in subonderdelen 6.2, 7.1 en 7.2 (stellingen ii en iii) aangevoerde, gronden niet in stand blijven. Daarom heeft JCDecaux er recht op en belang bij dat de overweging met de onjuist geformuleerde maatstaf wordt vernietigd.
stelling (i)dat de litigieuze concessieovereenkomsten betrekking hebben op A-diensten kan niet als juist worden aanvaard en kan om die reden bij beoordeling ook niet tot een andere uitkomst leiden (hiervoor randnummer 4.29).
stelling (ii)dat de concessieovereenkomsten in de gegeven omstandigheden een zodanig belang vertegenwoordigen dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang. Het hof heeft deze stelling in rov. 3.12. verworpen met de overweging dat JCDecaux niet aan haar stelplicht heeft voldaan ‘[D]oor enkel te wijzen op de omvang van het economisch belang van de concessies en op de plaats van uitvoering daarvan, zonder daarbij uiteen te zetten waarom daaruit de conclusie moet volgen dat ondernemingen uit andere lidstaten geïnteresseerd zijn in de opdracht’. Blijkens de arresten SECAP en Santorso en Belgacom kan het duidelijk grensoverschrijdend belang voortvloeien uit het economische belang van de geplande overeenkomst bezien in samenhang met de plaats van uitvoering (hiervoor randnummer 3.8). Daarvoor is niet vereist dat door de partij die zich hierop beroept tevens wordt uiteengezet waarom uit dat economisch belang de conclusie moet volgen dat ondernemingen uit andere lidstaten geïnteresseerd kunnen zijn in de opdracht. Het hof heeft tegen die achtergrond een te strenge maatstaf toegepast door te oordelen dat JCDecaux niet heeft voldaan aan haar stelplicht door enkel te wijzen op de omvang van het economisch belang en op de plaats van uitvoering. Het hof had de stellingen van JCDecaux over het economisch belang op juistheid moeten onderzoeken en moeten beoordelen of uit dit economisch belang en de plaats van uitvoering een duidelijk grensoverschrijdend belang volgt. Ook in zoverre treft
subonderdeel 5.1doel.
subonderdeel 5.2hebben miskend dat deze drempelwaarde de invulling door de Uniewetgever is van een bestaand, in de rechtspraak van het HvJ EU ontwikkeld begrip, te weten het economisch belang waarbij een duidelijk grensoverschrijdend belang in ieder geval aanwezig wordt geacht. Verder zou het hof hebben moeten ingaan op de door JCDecaux ingeroepen [56] concrete omvang van het economisch belang van de onderhavige overeenkomst.
zesde onderdeelkomt op tegen de overweging in rov. 3.14. dat de concessieovereenkomsten geen landelijke dekking, maar alleen regionale betekenis hebben (in en rond Eindhoven) en dat het hier gaat om twee losse concessieovereenkomsten voor abri’s en reclame-objecten, zodat niet aannemelijk is dat aan de plaats van uitvoering een argument kan worden ontleend vóór het aannemen van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
subonderdeel 6.2terecht voorgesteld.
zevende onderdeelricht zich tegen het oordeel in rov. 3.15. dat het economisch belang van de concessie gezien de voorgaande overwegingen onvoldoende is om een duidelijk grensoverschrijdend belang aan te nemen.
subonderdeel 7.1van een onjuiste rechtsopvatting. Maatgevend zou namelijk zijn of ondernemingen uit een andere lidstaat geïnteresseerd kunnen zijn in de opdracht. Die conclusie kan op basis van uitsluitend de economische waarde van de opdracht worden getrokken.
stelling ii) op juistheid moeten beoordelen en vervolgens moeten onderzoeken of het economisch belang, in samenhang met de stelling over de plaats van uitvoering (
stelling iii), in de gegeven context tot de conclusie leidt dat de onderhavige concessie een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft.
stelling idat de litigieuze concessieovereenkomsten betrekking hebben op A-diensten kan niet als juist worden aanvaard en kan om die reden bij nadere beoordeling ook niet tot een andere uitkomst leiden (hiervoor randnummer 4.29).
Stelling ivluidt dat de markt voor dit type concessies een internationale markt betreft waarop zich vrijwel uitsluitend internationale concerns begeven. Deze stelling is echter niet nader uitgewerkt en verder volgt uit die stelling niet of de reële mogelijkheid bestaat dat er belangstelling is voor de onderhavige concessie die tot een buitenlandse entiteit kan worden herleid.
Stellingen v en vibetreffen de belangstelling van JCDecaux, waarmee kennelijk wordt gedoeld op de Nederlandse entiteit. Dit betekent dat uit deze stellingen ook niet blijkt van (een reële mogelijkheid van) buitenlandse belangstelling. Het hof behoefde de
stellingen i, iv, v en vidaarom niet nader in zijn beoordeling te betrekken.
achtste onderdeelbevat een voortbouwende klacht. Het onderdeel houdt in dat op grond van het voorgaande (kennelijk wordt bedoeld: onderdelen 1 tot en met 7) ook de op de bestreden overwegingen voortbouwende oordelen in rov. 3.15.-3.18. en het dictum niet in stand kunnen blijven. Die oordelen borduren inderdaad voort op de overwegingen waartegen de hiervoor (deels) gegrond bevonden klachten (subonderdelen 5.1, 5.2, 6.2, 7.1 en 7.2 (stellingen ii en iii)) zijn gericht.
Onderdeel 8slaagt dus in zoverre ook.
acte clair [65] of
acte éclairé. [66] In het geval vernietiging en verwijzing zou volgen, dan heeft Uw Raad niet in laatste instantie beslist. Verder gaat het hier om een kort geding. Bovendien heeft het HvJ EU in verschillende arresten (waaronder Belgacom en Tecnoedi) reeds invulling gegeven aan het begrip ‘duidelijk grensoverschrijdend belang’, zodat zo bezien zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van een acte éclairé.