Conclusie
werktuigfunctie ervan, onder de dekking valt van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering.
1.Feiten en procesverloop
Vnuk). Het hof heeft overwogen dat dit oordeel voor alle duidelijkheid zowel geldt in het geval dat de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval als in het geval dat de vorkheftruck niet aan het rijden was (rov. 3.4.3). Het hof heeft geoordeeld dat de vordering van [verweerder] dient te worden toegewezen, nu zij als schadelijdende partij op grond van art. 6 WAM Pro een directe aanspraak bij Achmea als WAM-verzekeraar kan indienen (rov. 3.5).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
verkeersongevallen, of dat zij ook aansprakelijkheid moet dekken die ontstaat door het aanrichten van schade buiten het verkeer, bij voorbeeld door het gebruik van bepaalde soorten motorrijtuigen als graaf- of hijswerktuig. De strekking van de wet is ongetwijfeld beperkt (…), maar de omschrijving (…) van het risico dat moet worden gedekt, is ruim. Aangezien de wet beoogt een bijzondere bescherming van verkeersslachtoffers te verschaffen, is het gewenst om deze beperkte strekking in de wet te laten uitkomen. De voorgestelde tekst maakt nu duidelijk dat de verplichting tot verzekering slechts bestaat met betrekking tot de aansprakelijkheid voor verkeersongevallen door invoeging van de woorden “in het verkeer”. (…) De term “in het verkeer” moet niet zó beperkt worden opgevat, dat daaronder alleen wordt begrepen schade, die door het verzekerd motorrijtuig wordt toegebracht, wanneer het zelf in beweging is: daaronder valt bij voorbeeld ook de schade die ontstaat doordat het – stilstaande – verzekerde motorrijtuig verkeerd staat geparkeerd. Evenzeer valt daaronder
verkeersschade die bij voorbeeld wordt toegebracht door over de weg rijdende graaf- en hijswerktuigen, echter niet de schade die door deze werktuigen bij de uitvoering van werkzaamheden wordt veroorzaakt, zoals kabelschade’. [8]
Vnuk) uitleg gegeven aan art. 3, eerste alinea, WAM-richtlijn [15] , in het bijzonder aan het daarin vervatte begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’. [16] In deze zaak ging het om het volgende. Tijdens het opstapelen van hooibalen op de zolder van een hooischuur reed een tractor met aanhangwagen, toen die op de binnenplaats van de boerderij achteruitreed om met de aanhangwagen de hooischuur binnen te rijden, tegen een ladder waarop Damijian Vnuk was geklommen. Vnuk is daardoor gevallen en heeft schade geleden. Vnuk heeft tegen de Sloveense verzekeringsmaatschappij, waarbij de eigenaar van de tractor een verzekering had afgesloten, een geding aangespannen tot het verkrijgen van schadevergoeding. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de Sloveense rechter de vordering afgewezen, omdat de verplichte verzekeringspolis wel de schade dekte die is veroorzaakt door het gebruik van een tractor als vervoermiddel, maar niet de schade die is veroorzaakt bij het gebruik van een tractor als werktuig of sleeptuig. Het Sloveense hooggerechtshof heeft vervolgens aan het HvJEU de volgende vraag gesteld:
Vnukvan het HvJEU, waarin het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ aldus wordt uitgelegd dat het mede omvat ‘elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan’. Het hof heeft hierbij opgemerkt dat het niet relevant is of de vorkheftruck aan het rijden was ten tijde van het ongeval. Het hof neemt klaarblijkelijk tot uitgangspunt dat met betrekking tot een multifunctioneel motorrijtuig niet langer behoeft te worden onderzocht of schade is veroorzaakt op een wijze die karakteristiek is voor schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Dit houdt in dat ook voor een multifunctioneel voertuig geldt dat elk gebruik van het voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan, ook als het de werktuigfunctie van het multifunctioneel voertuig betreft, kan worden aangemerkt als ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’. Naar mijn mening kon het hof echter niet op grond van het
Vnuk-arrest tot dit oordeel komen en bestaat gerede twijfel over de vraag op welke wijze het
Vnuk-arrest moet worden uitgelegd.
Vnuk-arrest is immers sprake van schade die is veroorzaakt doordat het voertuig (de tractor) bij het lossen achteruitreed en daarmee is schade ontstaan door het gebruik van een tractor overeenkomstig zijn motorrijtuigfunctie. Het onderscheid tussen de verkeersfunctie en de werkfunctie (met het daaruit voortvloeiende werkrisico) van een multifunctioneel voertuig is hierbij niet aan de orde. Ik wijs in dit verband op hetgeen A-G Mengozzi heeft overwogen in zijn conclusie voorafgaand aan het
Vnuk-arrest:
Vnuk-arrest was de vraag niet aan de orde of de gebruikelijke functie van de tractor méér inhoudt dan deelname aan het verkeer, maar die vraag kan wel aan de orde zijn indien schade is veroorzaakt met of door een motorrijtuig dat mede is ingericht om als werktuig te fungeren door het gebruik van dat motorrijtuig als werktuig. Het kan dan voorkomen dat het gebruik van dat voertuig in overeenstemming met de gebruikelijk functie ervan niets van doen heeft met verkeersdeelneming en de verwezenlijking van een verkeersrisico.
Vnuk-arrest aan de orde was en de zaak die thans in cassatie moet worden beslist, een belangrijk verschil bestaat. Zo ontstond de schade in de onderhavige zaak door het gebruik van de vorkheftruck (werktuigfunctie) bij een manoeuvre tijdens het stapelen van de betonnen elementen, terwijl in de
Vnuk-zaak de schade ontstond door het achteruitrijden van de tractor met aanhangwagen (voertuigfunctie) in de hooischuur. Dit verschil, gevoegd bij de onzekerheid die in de literatuur bestaat over de strekking van het
Vnuk-arrest, brengt naar mijn mening met zich dat van een ‘acte clair’ of van een ‘acte éclairé’ geen sprake is. Ik meen dan ook dat het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJEU is aangewezen over de reikwijdte van de dekking van de verplichte WAM aansprakelijkheidsverzekering op grond van art. 3 Europese Pro WAM-richtlijn, waarmee art. 3 lid 1 WAM Pro in lijn dient te zijn.
onderdeel 1.2geen behandeling.
Vnuk-arrest van het HvJEU, dat is gewezen nadat het partijdebat op dit punt reeds was afgesloten, tot zijn oordeel te komen zonder partijen eerst in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de betekenis van dat arrest voor de beslissing in de onderhavige zaak.
Onderdeel 3betreft een veegklacht en is gericht tegen de op rov. 3.4.3 voortbouwende onderdelen in rov. 3.5, 3.6 en 3.7 van het bestreden arrest.