Conclusie
3.Het beklag en het oordeel van de rechtbank daarover
Overwegingen
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of hennepzaden onder het bereik van artikel 11a van de Opiumwet vallen, dat handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt strafbaar stelt. De klager had beslag op hennepzaden aangevochten, stellende dat deze zaden niet onder de Opiumwet vallen omdat zij expliciet zijn uitgezonderd op lijst II en niet als stoffen of voorwerpen in artikel 11a kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de zaden. De rechtbank vond dat de hennepzaden, in combinatie met andere inbeslaggenomen goederen die verband houden met hennepteelt, voldoende aanwijzingen boden dat het beslag moest voortduren. De klager voerde aan dat het bewaren van de zaden een hobby betrof en dat er geen sprake was van grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel hennepzaden op lijst II zijn uitgezonderd, zij wel als stoffen of voorwerpen in de zin van artikel 11a Opiumwet kunnen worden aangemerkt. De wetgever heeft met artikel 11a vooral de voorbereiding van grootschalige en bedrijfsmatige hennepteelt beoogd te bestrijden. Het enkele feit dat hennepzaden niet expliciet in de wetsgeschiedenis worden genoemd, sluit hun strafbaarheid niet uit. Het cassatieberoep faalt omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal overgaan, gelet op de hoeveelheid zaden en andere inbeslaggenomen goederen. Het beslag blijft daarom gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op de hennepzaden blijft gehandhaafd.