Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
de regeling van de Bvtvan toepassing is. Eerder had de rechtbank Arnhem in gelijke zin geoordeeld. [14] De rechtbank motiveerde haar beslissing als volgt:
de interne rechtspositie van de Wet Bopztoepasselijk is. De RSJ overwoog in zijn uitspraak van 30 januari 2009 in dat verband als volgt:
nietde Bvt. [19] Het toenmalige Kabinet heeft destijds in een reactie aangegeven dat deze toepassing niet wenselijk is omdat in dat geval in justitiële (tbs-)inrichtingen twee verschillende regimes gaan gelden voor de interne rechtspositie: [20]
Diversiteit aan titels
forensische huisregels. Daarvoor is volgens het Advies een wijziging van het Besluit rechtspositieregelen Bopz nodig. [23] Dit besluit, dat dateert van 3 november 1993 [24] , bepaalt in art. 3 dat Pro de huisregels, bedoeld in art. 37 lid 1 Wet Pro Bopz, geen andere regels bevatten dan die nodig zijn voor “een ordelijke gang van zaken in het psychiatrisch ziekenhuis”. Zij beperken de vrijheid van handelen van de patiënt niet verder dan voor een dergelijke gang van zaken nodig is. Het gaat in deze huisreglementen dikwijls om een veelheid aan huisregels zoals regels omtrent slaap- en rusttijden, pauzetijden, besteding van vrije tijd, verbod tot het aangaan van seksuele relaties, het gebruik van alcohol en drugs, agressief gedrag, en regels over de bezoekregeling en bezoektijden. [25] In de wetsgeschiedenis is het volgende opgemerkt met betrekking tot de huisregels: [26]
alleopgenomen patiënten kunnen en mogen worden toegepast zonder differentiatie naar rechtspositie en verblijfstitel. Geklaagd wordt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel klaagt verder dat het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dat de individuele belangen van de onvrijwillig opgenomen Bopz-patiënt niet hoeven te worden meegewogen en dat het oordeel dat art. 40 Wet Pro Bopz de wettelijke basis biedt voor de toegepaste beperkingen, onjuist is. In elk geval is dat oordeel volgens het onderdeel zonder nadere motivering niet, in elk geval niet voor alle toegepaste beperkingen, houdbaar en begrijpelijk.
voor de individuele patiëntmogen gelden. De onderwerpen lenen zich dus wel voor een algemene regeling maar de inperkingen ervan die in art. 40 Wet Pro Bopz worden opgesomd, kunnen alleen in individuele gevallen worden toegepast. Het gaat in art. 40 Wet Pro Bopz om individuele vrijheden, onder andere van onderwerpen die in de huisregels geregeld zijn, maar daarin gaat het om voor
allengeldende regels die betrekking hebben op de orde binnen (de afdeling van) het ziekenhuis. Van de individuele vrijheden kunnen worden beperkt het recht op poststukken (lid 1), het bezoek (lid 2), de bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis (lid 3) en het telefoonverkeer (lid 4).
geldende algemene huisregelsdaarom zijn toegepast en dat deze regels gelden voor iedereen die binnen deze kliniek is opgenomen of aanwezig is. Nu tegen de vaststelling van dit in de bestreden beschikking weergegeven verweer geen klacht is gericht, zal ik daarvan uitgaan. Niet duidelijk is wat de huisregels precies inhouden en door welke specifieke huisregels al dan niet beperkingen werden aangebracht ten opzichte van betrokkene. Van het onderdeel mocht worden verwacht dat het nader had gespecificeerd waarom (al dan niet) specifieke huisregels niet (steeds) op betrokkene van toepassing mochten zijn, in het licht van het feit dat hij op basis van een Bopz-machtiging in het FPC was opgenomen. Deze verduidelijking ontbreekt evenwel. De huisregels zijn ook niet overgelegd.
allein de instelling opgenomen personen, derhalve voor zowel gedetineerden (tbs-ers) als patiënten, komt niet onbegrijpelijk voor. Zoals hiervoor weergeven heeft het begrip ‘huisregels’ geen vaststaande inhoud. Eerst na de invoering van het Besluit rechtspositieregelen Bopz in 1993 zijn verschillende tbs-instellingen tevens aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Het moge geen verbazing wekken dat de voor alle in een dergelijke instelling opgenomen personen geldende huisregels meer beperkingen (kunnen) kennen dan reguliere psychiatrische ziekenhuizen. Het is ondoenlijk om voor patiënten die in een dergelijke instelling zijn opgenomen met een Bopz-machtiging andere huisregels te hanteren dan voor personen die veroordeeld zijn tot tbs met dwangverpleging. Er zijn namelijk gezamenlijke ruimtes waar alle bewoners bijeenkomen en activiteiten waaraan de twee categorieën bewoners gezamenlijk kunnen deelnemen. Indien er met betrekking tot bijvoorbeeld mobiele telefoons voor de twee categorieën bewoners verschillende regels zouden gelden, dan zouden de strengere regels kunnen worden ontdoken door beïnvloeding van personen voor wie minder strenge regels gelden. Dat is niet wenselijk. Door een algemeen verbod op het gebruik van mobiele telefoons in de instelling worden de rechten van de inwoners weliswaar beperkt, maar deze beperking wordt verzacht door de mogelijkheid van telefonie en internet in de instelling op een andere manier.
reeds op grond van de huisregelsalgemeen zijn beperkt (uitgesloten), en wel voor alle in het FPC opgenomen personen. Dit betekent dat art. 40 Wet Pro Bopz in dergelijke gevallen niet behoefde te worden toegepast, aangezien dit artikel eerst aan de orde komt indien de op grond van de huisregels van die instelling gegeven rechten m.b.t. het ontvangen van bezoek, beweging en telefoonverkeer
in een individueel gevalmoeten worden beperkt op de in art. 40 Wet Pro Bopz genoemde twee gronden. De stelling dat de rechtbank heeft geoordeeld dat art. 40 Wet Pro Bopz de wettelijke basis biedt voor het verbod op het gebruik van mobiele telefoons en de beperking in bewegingsvrijheid, zoals geschetst in klachtonderdeel E, mist naar mijn mening dan ook feitelijke grondslag. Die beperkingen zijn geen individuele beperkingen op de gemaakte huisregels, doch algemene beperkingen die hun grondslag vinden in de huisregels zelf.
informed consent, en (ii) hij op dat moment in staat kon worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, althans dat de beschikking op dit punt onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Ter toelichting wijst het onderdeel op een uitspraak van het EHRM in de zaak Sibgattulin/Rusland [37] , waarin (volgens het onderdeel) is overwogen dat afstand alleen dan mag worden aangenomen als (i) de betrokkene zijn wil daartoe in vrijheid heeft kunnen bepalen, (ii) die wil ondubbelzinnig kan worden vastgesteld, mede gelet op een mogelijke stoornis, en (iii) het doen van afstand in verhouding staat tot het belang van het recht dat daarmee wordt prijsgegeven.
Waiver of the right to examine witnesses”. Het is allerminst zeker of deze passages ook direct van toepassing zijn in zaken als de onderhavige. Een deel van de beperkingen waarover thans wordt geklaagd, vindt zijn grondslag in de Wet Bopz en het individuele behandelplan. Het FPC heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, blz. 2, onder meer het volgende als verweer aangevoerd: