8.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (dossierpagina 103 104 e.v.), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3]:
Op 2 juli 2014 waren [verdachte], [betrokkene 4] en ik de hele tijd met zijn drieën, ’s ochtends toen we alle drie op de fiets reden, werd onze aandacht getrokken door dat huis. Toen we met elkaar spraken, kregen we in onderlinge overeenstemming het idee om dat huis binnen te dringen om goederen te ontvreemden. (...) Bij het plegen van de overval zijn twee tapes gebruikt. (...) Op het moment dat we praktisch naar binnen zouden gaan, verscheen er voor ons een lange man van ongeveer 50 jaar. We begrepen dat hij de eigenaar was. Hij pakte [verdachte] bij zijn kleding beet. Daarna pakte hij ook [betrokkene 4] bij zijn kleding. Toen ik het tafereel zag, besloot ik tussenbeide te komen. Ik ging er naar toe en heb kracht gebruikt en hem op de grond laten vallen. Ik pakte onmiddellijk tape uit de rugzak en een van de anderen heeft dat aan zijn handen en voeten gedaan. Zijn handen werden vastgebonden op zijn rug.
De buitendeur werd als eerste door mij geopend. Vervolgens kwam [verdachte] achter mij het huis binnen, daarna [betrokkene 4]. Toen we op de eerste verdieping kwamen, begonnen we de plek gelijk van binnen te onderzoeken. Ik heb zelf de keuken doorzocht.
[verdachte] en [betrokkene 4] doorzochten de woonkamer. Binnen hooguit vijf minuten kwam er een mevrouw naar beneden vanaf de tweede verdieping. [verdachte] en [betrokkene 4] snelden onmiddellijk op haar toe en ik kort daarna. We zetten haar op een stoel en ik herinner met niet meer wie haar handen en voeten heeft vastgebonden. (...) Ik heb haar gevraagd om mij haar pasje te geven en haar pincode. De mevrouw stemde toe en voor zover ik me kan herinneren heeft ze de plek aangewezen waar ze het pasje bewaarde. Dat was in een damesportemonnee. Ik heb het er uit gepakt. De mevrouw heeft me toen ook de pincode van de pas verteld. Vervolgens ben ik met het pasje weggegaan richting het centrum van de plaats in de hoop een geldautomaat te vinden. [verdachte] en [betrokkene 4] zijn bij de mevrouw in de kamer gebleven. Toen ik het erf afliep, heb ik het T-shirt van mijn gezicht gehaald. Toen ik naar buiten ging, kwam ik langs de man die we eerder hadden vastgebonden. (...) Ik arriveerde bij een geldautomaat. Ik heb gelijk de functie van geldopname gekozen. Als eerste bedrag heb ik 200 euro aangegeven. De transactie lukte. Het opgenomen geld was in coupures van elke 50 euro. Daarna heb ik een nieuw bedrag ingetoetst, waarschijnlijk 100 euro, maar de transactie lukte niet, waarna ik 50 euro heb gekozen en ik het opgenomen geld kreeg.”
3.4. Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:
“Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft, samen met twee andere mannen, op 2 juli 2014 een woningoverval gepleegd in Winterswijk. Wat er gedurende die overval precies is gebeurd en in welke volgorde, kan niet worden vastgesteld. De volgende feiten en omstandigheden zijn wel vast komen te staan en die zijn ook door of namens verdachte niet betwist.
Tijdens de overval heeft verdachte de handen van één van bewoners, [slachtoffer], op zijn rug gebonden en heeft hij ook de benen van [slachtoffer] vastgebonden. Ook heeft verdachte tape over de mond van [slachtoffer] geplakt en heeft hij een zeil of kleed over hem neergelegd. Enige tijd later is [slachtoffer] door verbalisant [verbalisant 1] en [slachtoffers] broer [betrokkene 2] gevonden. [slachtoffer] was overleden. Uit de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van het handelen van verdachte.
De verdediging heeft in hoger beroep betoogd dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] niet kan worden vastgesteld. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag. De verdediging heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte alleen de mond van [slachtoffer] heeft afgeplakt, niet ook diens neus. Dat levert geen aanmerkelijk kans op het overlijden op. Voorts heeft de verdediging betoogd dat verdachte geen wetenschap had van het feit dat het afplakken van de mond in de specifieke omstandigheden van het geval wel een aanmerkelijke kans op overlijden kon opleveren. Ten slotte heeft de verdediging betoogd dat verdachte die kans niet bewust heeft aanvaard.
Het hof overweegt hierover het volgende.
[verbalisant 1], brigadier van politie, heeft [slachtoffer], samen met de broer van [slachtoffer], als eerste aangetroffen. Hij heeft gerelateerd dat de broer van [slachtoffer] op het erf bij de woning een zeil zag liggen dat daar niet hoorde te liggen. [verbalisant 1] trok vervolgens het zeil aan de kant. Hij zag onder het zeil het levenloze lichaam van een man liggen. Dit bleek [slachtoffer] te zijn. [verbalisant 1] zag dat de mond en de neus van [slachtoffer] waren afgeplakt. Voorts zag hij dat zijn enkels aan elkaar waren getaped. Hij zag meteen dat [slachtoffer] was overleden.
[verbalisant 1] is als getuige gehoord door de rechter-commissaris. [verbalisant 1] heeft toen zijn hierboven genoemde bevindingen bevestigd. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer] volledig was afgeplakt met tape. Hij pakte de tape beet en trok het van zijn neus en van zijn mond. [verbalisant 1] dacht toen: “Hé, die heeft geen kans meer gehad want zijn neus en mond zijn afgeplakt.”
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij twee of drie stukken tape over het gezicht van [slachtoffer] had geplakt om er voor te zorgen dat [slachtoffer] niet ging schreeuwen. Verdachte weet niet meer precies hoe hij die tape had geplakt, maar het was in ieder geval niet de bedoeling om ook de neus van [slachtoffer] af te plakken. Verdachte heeft bevestigd dat hij een zeil over [slachtoffer] had gelegd en dat hij [slachtoffer] had verplaatst om er voor te zorgen dat hij niet vanaf de weg kon worden gezien.
Voorts heeft verdachte verklaard dat hij zich - al vóór het tapen van de mond - zorgen maakte om [slachtoffer] omdat zijn gezicht roder was geworden en omdat hij in zijn broek had geplast. Ten slotte heeft verdachte erkend dat hij de batterij uit de telefoon van [slachtoffer] had gehaald en was weggegaan zonder te melden dat [slachtoffer] daar lag.
Op grond van (onder meer) deze verklaringen stelt het hof vast dat verdachte
- de armen en de benen van [slachtoffer] heeft vastgebonden;
- tape over de mond en de neus van [slachtoffer] heeft geplakt;
- [slachtoffer] buiten op een plek heeft gelegd die moeilijk zichtbaar was vanaf de weg;
- een zeil over het gehele lichaam en het hoofd van [slachtoffer] heeft gelegd;
en
- de batterij uit de telefoon van [slachtoffer] heeft gehaald.
Vervolgens is verdachte weggegaan, terwijl hij zag dat het niet goed ging met [slachtoffer] en zonder door te geven dat [slachtoffer] daar lag.
Het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte (minst genomen voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer]. Verdachte moet hebben geweten dat het afplakken van de mond en de neus tot zuurstofgebrek zou leiden en dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Dat geldt te meer nu verdachte door zijn handelen het (tijdig, toen [slachtoffer] wellicht nog in leven was) vinden van [slachtoffer] heeft bemoeilijkt.”
3.5. Het middel bevat onder 1.4 van de schriftuur in de eerste plaats de klacht dat de feitelijke vaststellingen van het hof tegenstrijdig zijn omdat het hof in het begin van zijn bewijsoverweging vaststelt dat de verdachte de mond van het slachtoffer heeft afgeplakt en daarna overweegt dat de verdachte de mond en de neus heeft afgeplakt. Van enige innerlijke tegenstrijdigheid is echter geen sprake omdat uit de overwegingen van het hof overduidelijk blijkt dat het hof zijn oordeel dat de verdachte zowel de mond als de neus heeft afgeplakt onder meer heeft gebaseerd op de verklaringen van brigadier [verbalisant 1] (bewijsmiddelen 3 en 5) en de verklaring van de verdachte zelf dat hij twee of drie stukken tape over het gezicht van de verdachte had geplakt en niet meer weet hoe hij die tape had geplakt. Dat het hof in eerste instantie alleen vermeldt dat de verdachte niet heeft betwist dat hij de mond van het slachtoffer heeft afgeplakt doet hieraan niet af. Deze deelklacht faalt.
3.6. De overige klachten hebben betrekking op het oordeel van het hof dat de verdachte (op zijn minst genomen voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer.
3.7. Hierbij moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals pijn, letsel of dood, is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het betreffende gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
3.8. De klacht dat het hof in het midden heeft gelaten of het de verklaring van de verdachte dat hij niet meer weet hoe hij de tape op het gezicht van het slachtoffer heeft geplakt ongeloofwaardig heeft geacht of dat het hof deze verklaring redengevend heeft geacht voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer treft evenmin doel. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zowel de mond als de neus van het slachtoffer heeft afgeplakt. Dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij niet meer weet hoe hij de tape op het gezicht van het slachtoffer heeft geplakt doet hieraan niet af en is ook met de vaststelling van het hof niet in strijd.
3.9. Tot slot wordt erover geklaagd dat het hof slechts heeft overwogen dat er een aanmerkelijke kans was dat het slachtoffer door het tapen van zijn neus en mond zou komen te overlijden, maar niet heeft vastgesteld dat de verdachte dit gevolg ook bewust heeft aanvaard. Dit laatste ligt naar mijn mening echter zonder meer in de overwegingen van het hof besloten. Naast het afplakken van de mond en de neus van het slachtoffer, terwijl de verdachte zelf had verklaard te vrezen dat het niet goed met het slachtoffer ging, heeft het hof op verschillende handelingen van de verdachte gewezen die erop waren gericht het vinden van het slachtoffer te bemoeilijken. Daarin ligt besloten dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte reeds naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het intreden van de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Dat (impliciete) oordeel is geenszins onbegrijpelijk.
3.10. Het middel is evident ongegrond en kan naar mijn mening met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan. Nu het
tweede middelklaagt over de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase heeft de verdachte onvoldoende belang bij dit middel zodat dit het lot van het eerste middel deelt.