Conclusie
1.Feiten
[eiser] c.s.), die allen de Hongaarse nationaliteit hebben, zijn werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur.
[A]) oefent vanuit Erp (Noord-Brabant) een transportonderneming uit. [A] en de vennootschap naar Hongaars recht Silo-Tank Kft (hierna:
Silo-Tank) zijn zusterondernemingen.
cao GN). Deze cao is niet algemeen verbindend verklaard. De cao GN heeft een looptijd tot en met 31 december 2013. De cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur mobiele kranen (hierna:
cao Beroepsgoederenvervoer) is met ingang van 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013 algemeen verbindend verklaard.
“… de internationale ritten, ritten waarop [eiser] c.s. werden ingezet, voor slechts een zeer beperkt deel in tijd en in kilometrage in Nederland werden uitgevoerd.” En in rov. 3.15.7: “
Daarbij overweegt het hof dat slechts een zeer gering deel van de werkzaamheden in Nederland wordt uitgevoerd.” Gelet hierop kan, anders dan [eiser] c.s. in de procesinleiding onder 34 stellen, niet bij wege van hypothetische feitelijke grondslag worden aangenomen dat 30% van de ritten uitsluitend in Nederland plaatsvonden.
c.s. beginnen en eindigen hun ritten weliswaar in Erp, …” (rov. 3.15.7). [11] Anders dan in de parallelle zaak gebruikt het hof hier niet de nuancering ‘doorgaans’.
dat slechts een zeer gering deel van de werkzaamheden in Nederland wordt uitgevoerd” ligt m.i. de verwerping besloten van deze stelling van [eiser] c.s. [15]
2.Procesverloop
primair[A] en
subsidiairSilo-Tank tot betaling aan [eiser] c.s. van achterstallige salarissen zoals in de inleidende dagvaarding is gevorderd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro, te stellen op 50% en de wettelijke rente over deze bedragen, vanaf de datum waarop de loonbetaling had dienen plaats te vinden, tot de dag dat daadwerkelijk is betaald;
tussenvonnis van 8 januari 2015 [22] heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (hierna:
de kantonrechter)in de zaak tegen [A] B.V. het gevorderde afgewezen en [eiser] c.s. in de kosten van het geding veroordeeld (rov. 4.1-4.2).
het hof) hoger beroep van voornoemd tussenvonnis ingesteld. Haar grieven zagen in de kern op de vraag of zij op grond van art. 6 EVO Pro of art. 8 Rome Pro I, dan wel de Detacheringsrichtlijn, gehouden is om Nederlands loon aan [eiser] c.s. te betalen, nu zij als chauffeurs op ritten vooral in, vanuit en naar Nederland worden ingezet.
arrest van 2 mei 2017 [23] vooropgesteld dat alleen de vorderingen van [eiser] c.s. op grond van de subsidiaire grondslag als in eerste aanleg aangevoerd ter beoordeling voorliggen (rov. 3.8) en dat de in eerste aanleg aangenomen bevoegdheid van de Nederlandse rechter als uitgangspunt dient (rov. 3.9). Over het toepasselijke recht op de arbeidsverhoudingen overwoog het hof het volgende:
Toepasselijk recht
op het grondgebied van de lidstaat (Nederland)”. Het hof verwijst naar de conclusie van A-G Wahl in zaak C-396/13 (
Sähköalojen ammattiliitto ry) en naar het arrest in de zaken C-307/09 tot en met 309/09 (
Vicoplus). Daaruit leidt het hof af
het doel op zich van de dienstverrichting door de dienstverlenende onderneming vormt (...)
hij noodzakelijk acht - hetgeen in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn blijkens de opmerkingen die verweerders in het hoofdgeding ter terechtzitting hebben gemaakt - erop dat de verplaatsing van werknemersnaar de lidstaat van ontvangst[vet, hof ’s-Hertogenbosch]
niet het doel van de aan de orde zijnde dienst is, maar ondergeschikt is ten opzichte van het verrichten van de in de overeenkomst vastgelegde dienst en dat daarmee sprake is van terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van artikel 1, lid 3, onder a), van richtlijn 96/71.”
ophet grondgebied van de lidstaat waar naartoe een werknemer wordt gedetacheerd:
“lagere lonen (...) en andere arbeidsvoorwaarden (...) dan die welke gebruikelijk zijn in de plaats waar het werk tijdelijk wordt uitgevoerd”, en er wordt onder 14 (p.11) in het kader van niet tijdelijkheid van dienstverlening gerept van ‘werkzaamheden die geheel of voornamelijk op het grondgebied van deze lidstaat zijn gericht”. In onderdeel 19 (p. 13) wordt ook meermalen gerept van
“het gastland”en in onderdeel 24 (p. 15)
“van dwingende bepalingen”die
“nageleefd moeten worden door een onderneming die werknemers detacheert om in dat land tijdelijk werk te verrichten”.
“De combinatie en onderlinge samenhang van artikel 1 en Pro 2 maken het onnodig eenlijst met uitzonderingen[vet, hof ’s-Hertogenbosch]
op te stellen, zoals handelsreizigers, leden van het reizend personeel van een onderneming dieinternationale transportdiensten vanpersonen ofgoederen verzorgt(..)over de weg[vet, hof ’s-Hertogenbosch]
(...)”. Kortom de Detacheringsrichtlijn ziet bewust niet op de charters als in deze zaak aan de orde, doch slechts op nationaal dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat uitgevoerde charters.
van die diensten.”, vervolgens als terug te vinden in artikel 1 lid 1 van Pro bedoelde richtlijn (“
waarde diensten worden verricht”)
3.Juridisch kader
het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruitde werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.
8 lid 2Rome I is in beginsel op de arbeidsovereenkomst van toepassing het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Indien er geen land is aan te wijzen
waarde werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht dan moet, “bij gebreke daarvan”, worden uitgegaan van het land
van waaruithij gewoonlijk zijn arbeid verricht. Ten opzichte van art. 6 lid 2 onder Pro a) EVO zijn de woorden “van waaruit” toegevoegd. Met deze verruiming is aansluiting gezocht bij rechtspraak over het EEX-Verdrag en Brussel I, [25] een voorbeeld dus van
Gleichlauftussen rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht. [26] Art. 8 lid Pro 2, laatste zin, bepaalt dat het gewoonlijk werkland niet wijzigt wanneer de werknemer
tijdelijkin een ander land werkt, zoals het geval is bij detachering. Indien het gewoonlijk werkland niet op grond van art. 8 lid 2 kan Pro worden vastgesteld, is op grond van art.
8 lid 3(voorheen art. 6 lid 2 onder Pro b EVO) van toepassing het recht van het land waar de werknemer in dienst is genomen. Art.
8 lid 4(voorheen art. 6 lid Pro 2, slotzin, EVO) ten slotte bevat een ‘ontsnappingsclausule’: indien de arbeidsovereenkomst kennelijk een nauwere band heeft met een ander land dan het land dat op grond van het tweede of het derde lid wordt aangewezen, dan is het recht van dat andere land van toepassing en wordt het recht van het land waar gewoonlijk wordt gewerkt, opzij geschoven. [27]
gewoonlijkwordt gewerkt. Over die vraag bestaat geen Europese rechtspraak. [29] Ten tweede de vraag hoe moet worden bepaald wat de plaats is
waargewoonlijk wordt gewerkt. Over die vraag is wèl rechtspraak voor handen, ook met betrekking tot ‘mobiele beroepen’ waarbij werkzaamheden op verschillende plaatsen worden verricht. Het internationale vervoer is daar een voorbeeld van. Het HvJEU heeft voor het wegvervoer, [30] de scheepvaart [31] en voor de luchtvaart [32] concrete aanknopingspunten geformuleerd om te kunnen bepalen wat het land is waar de werknemer ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Deels zijn die aanknopingscriteria overlappend, deels zijn zij toegespitst op de betrokken vervoerssoort.
Koelzschvan de Grote kamer van het HvJEU. Koelzsch, een in Duitsland woonachtige Duitser, was als chauffeur in dienst van een Luxemburgse vennootschap, die een dochter was van een Deens bedrijf. Hij reed zijn ritten vooral in Duitsland. Het HvJEU geeft een ruime uitleg van het ‘land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in art. 6 lid 2 onder Pro a) EVO. Het overweegt (onderstrepingen toegevoegd; A-G):
Aangezien de doelstelling van artikel 6 van Pro het verdrag van Rome van 1980 een passende bescherming van de werknemer is, volgt daaruit dat deze bepaling moet worden opgevat als een waarborg dat eerder het recht van de staat waarin hij zijn beroepswerkzaamheden verricht, van toepassing is dan dat van de staat van de zetel van de werkgever.
De werknemer oefent zijn economische en sociale functie immers in eerstgenoemde staat uit en, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft beklemtoond, zijn arbeid ondergaat ook in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat. Bijgevolg moet de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk worden gewaarborgd.
wanneer het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft.
het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de activiteiten, naar de plaats waar hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.
Hij moet met name vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Hij moet tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.
Voogsgeerd [34] betrof de zeevaartsector. Het HvJEU overwoog onder meer dat art. 6 lid Pro 2, aanhef en onder b EVO de status van een subsidiaire verwijzingsregel heeft (punt 47) en dat het begrip ‘vestiging van de werkgever die de werknemer in dienst heeft genomen’ aldus moet worden verstaan dat het uitsluitend verwijst naar de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen, en niet naar die waaraan de werknemer voor zijn effectieve tewerkstelling is verbonden (punt 52). Voor onze zaak is met name van belang dat het HvJEU de eerdere overwegingen uit de zaak
Koelzschover artikel 6 lid Pro 2, aanhef en onder a EVO herhaalt (punt 32 en verder) en voorts het volgende overweegt:
Schlecker [36] heeft het HvJEU geoordeeld over de verhouding tussen de aanknopingscriteria van art. 6, lid 2 aanhef en onder a en b enerzijds en de aan het slot van art. 6 lid 2 EVO Pro geformuleerde exceptie anderzijds. Art. 6 lid 2 EVO Pro moet in die zin worden uitgelegd dat de nationale rechter, zelfs indien een werknemer de arbeid ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk, langdurig en zonder onderbreking in hetzelfde land verricht, overeenkomstig het laatste zinsdeel van die bepaling het recht van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, buiten toepassing kan laten, wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat die overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land (onder 44). Het HvJEU heeft dit oordeel, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd:
ICF, C-133/08,
Jurispr. p. I-9687, punt 62).
Voogsgeerd, reeds aangehaald, punt 51).
Ryanair [37] betrof de uitleg van art. 19, punt 2 onder a EEX-Verordening. Uit deze bepaling volgt dat een werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan worden opgeroepen in een andere lidstaat voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt. Onder verwijzing naar de hiervoor besproken arresten
Koelzschen
Voogsgeerdoverwoog het Hof van Justitie opnieuw dat het criterium lidstaat waar de werknemer gewoonlijk werkt ruim moet worden uitgelegd (punt 57) en dat daarmee wordt gedoeld op de plaats waar of van waaruit de werknemer feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens de werkgever vervult (punt 59). Van belang zijn de volgende overwegingen (onderstreping toegevoegd; A-G):
Koelzsch,C-29/10, EU:C:2011:151, punt 48), maar kan ook worden vermeden dat een begrip als ‘plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt’ wordt geïnstrumentaliseerd of gaat bijdragen tot het ontstaan van ontwijkingsstrategieën (zie naar analogie arrest van 27 oktober 2016,
D’Oultremont e.a., C-290/15, EU:C:2016:816, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Koelzsch(C-29/10, EU:C:2011:151, punt 49), en 15 december 2011,
Voogsgeerd(C-384/10, EU:C:2011:842, punten 38-41), een aantal aanwijzingen vermeldt die de nationale rechter in de beschouwing kan betrekken.
De nationale rechter moet in het bijzonder vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede op welke plaats zich de arbeidsinstrumenten bevinden.
Koelzsch. De plaats waarnaar de werknemer na zijn opdrachten terugkeert, is echter als element naar voren gehaald.
coördinatieplaats van de nationale wetgevingen doordat een ‘harde kern’ van dwingende bepalingen wordt vastgelegd die in acht genomen moeten worden door werkgevers die werknemers op het grondgebied van een andere lidstaat ter beschikking stellen. [38] De Detacheringsrichtlijn harmoniseert niet het materiële arbeidsrecht, zoals wat er onder het minimumloon valt. [39]
moetworden toegepast.
Handhavingsrichtlijn) aangenomen. [41] Deze richtlijn diende op 18 juni 2016 te zijn omgezet in nationale regelgeving. [42] Zij bevat geen wijzigingen in de Detacheringsrichtlijn, maar komt daar bovenop.
tijdelijkin een andere lidstaat werkzaamheden verricht (art. 4 lid Pro 3).
Herzieningsrichtlijn) aangenomen. [43] De lidstaten hebben tot 30 juli 2020 om de Herzieningsrichtlijn om te zetten in nationale regelgeving en vanaf die datum moeten de bepalingen van die richtlijn worden toegepast. Tot die datum blijft Richtlijn 96/71/EG van toepassing zoals die luidde vóór de bij deze richtlijn aangebrachte wijzigingen. [44] Op de sector van het internationaal wegvervoer wordt deze richtlijn pas van toepassing vanaf de datum waarop een sectorspecifieke richtlijn van toepassing wordt. [45]
Mobiliteitsvoorstel). [47] De beoogde richtlijn wordt een
lex specialisten opzichte van de Detacheringsrichtlijn, zoals gewijzigd door de Herzieningsrichtlijn.
op het grondgebiedvan die lidstaat is gedetacheerd. Daartoe wordt als minimumeis voorgesteld dat de chauffeur per kalendermaand ten minste zeven, aaneengesloten (
consecutive) dagen in lidstaat B werkt. Haalt een chauffeur het aantal van zeven dagen, dan moeten de bepalingen van art. 3 lid 1 onder Pro letters b) en c) van de Detacheringsrichtlijn op hem worden toegepast. De betrokken chauffeur kan in dat geval voor de gehele kalendermaand, en niet slechts voor de dagen waarop hij op het grondgebied van die staat werkzaamheden heeft verricht, aanspraak maken op toepassing van de beloning geldend in dat land.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
onder 13van de procesinleiding dat zowel de beslissing dat Nederland niet (en Hongarije wel) het gewoonlijk werkland in de zin van art. 6 lid 2 EVO Pro, respectievelijk art. 8 lid 2 Rome Pro I is, als de beslissing dat Nederland ook niet op grond van art. 6 lid Pro 2, slotzin EVO en art. 8 lid 4 Rome Pro I als nauwst verbonden met de arbeidsovereenkomst is aan te merken (maar Hongarije wel), rechtens onjuist, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
Subonderdeel Abetreft het oordeel van het hof dat niet Nederland, maar Hongarije het gewoonlijk werkland is de zin van art. 6 lid Pro 2, onder a EVO, respectievelijk art. 8 lid 2 Rome Pro I. Tegen dit oordeel wordt opgekomen met een rechtsklacht en een aantal motiveringsklachten.
Subonderdeel Bbetreft het oordeel van het hof voor zover het inhoudt dat Hongarije het nauwst verbonden is met de arbeidsovereenkomst in de zin van art. 6 lid Pro 2, slotzin EVO, respectievelijk art. 8 lid 4 Rome Pro I.
onder 14 tot en met 18houdt in dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de maatstaf aan de hand waarvan beoordeeld moet worden welk land als gewoonlijk werkland heeft te gelden. In het bijzonder zou het hof de rangorde van de verschillende wegingsfactoren hebben miskend en te weinig gewicht hebben toegekend aan zwaarwegende wegingsfactoren, respectievelijk te veel gewicht hebben toegekend aan minder zwaarwegende wegingsfactoren.
onder 18 tot en met 21dat het bestreden oordeel onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd, onder meer omdat het hof geen aandacht heeft geschonken aan een aantal door het HvJEU als relevant aangemerkte wegingsfactoren en omdat het hof niet heeft toegelicht waarom de wegingsfactoren die erop wijzen dat Nederland het gewoonlijk werkland is, afgezet tegen de overige in aanmerking genomen omstandigheden, onvoldoende gewicht in de schaal leggen.
Koelzschoverwogen dat de rechter
met name(‘
notamment’
,‘
in particular’
,‘
insbesondere’
,‘
in particulare’) [48] moet vaststellen (i) in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede (ii) de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Uit de gekozen bewoording volgt (in alle aangehaalde taalversies van het arrest) enerzijds dat aan deze wegingsfactoren bijzondere betekenis toekomt, maar anderzijds ook dat er plaats is voor andere wegingsfactoren. Het eerste wordt onderstreept door het oordeel van het HvJEU in de zaak
Voogsgeerd, waaruit volgt dat - toegespitst op de scheepvaart - aan eerstgenoemde wegingsfactor beslissende betekenis kan toekomen in die zin dat wanneer blijkt dat de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht en waar hij ook de instructies voor zijn opdrachten ontvangt, steeds dezelfde is, die plaats
moetworden beschouwd als de plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het tweede volgt reeds daaruit dat het HvJEU zijn overweging in de zaak
Koelzschvervolgt door te stellen dat tevens
tevens(‘
également’, ‘
also’, ‘
auch’,‘
anche’) nagegaan moet worden (iii) in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, (iv) in welke plaatsen de goederen worden gelost en (v) naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert. [49] Dat de opsomming van wegingsfactoren niet limitatief is, volgt uit de vooropstelling dat rekening moet worden gehouden met
alle elementendie de werkzaamheden van de werknemer kenmerken.
Koelzschgenoemde factoren moeten niettemin bij de beoordeling waar een internationaal chauffeur zijn gewoonlijk werkland heeft, voorop worden gesteld. Het hof heeft dat niet gedaan. Het heeft zijn oordeel dat Nederland niet het gewoonlijk werkland is gebaseerd op andere omstandigheden, die meer wijzen op Hongarije als het land waarmee de arbeidsverhouding het nauwst is verbonden, om pas daarna de factoren (i) en (ii) in zijn afweging te betrekken. Daardoor hebben die beide factoren niet het gewicht gekregen dat daaraan rechtens toekomt. Het hof is in zoverre uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aanknopingscriteria om te bepalen wat in een situatie als de onderhavige, waarin een werknemer zich van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever kwijt door internationale ritten over de weg uit te voeren, het gewoonlijk werkland is. Bovendien staat in cassatie vast dat de betreffende internationale ritten in de relevante periode door [eiser] c.s. werden uitgevoerd vanuit Erp, terwijl bij wege van hypothetische feitelijke grondslag aangenomen moet worden dat vanuit [A] (te Erp) de instructies voor de ritten werden gegeven, nu zulks door [eiser] c.s. is gesteld, de juistheid van die stelling door Silo-Tank niet is betwist en door het hof in het midden is gelaten. [50]
Schlecker- belangrijke factoren voor de beoordeling van de nauwste verbondenheid als bedoeld in art. 8 lid 4 van Pro Rome I. Voor de vaststelling van het gewoonlijk werkland zijn zij, afgezet tegen de door het HvJEU in de zaak
Koelzschgenoemde wegingsfactoren, van ondergeschikte betekenis. [51]
allereerstte worden beoordeeld wat het gewone werkland is (wat een ruim uit te leggen criterium is). [52] Indien dat is vastgesteld dient vervolgens te worden nagegaan of er een ander land is dat kennelijk nauwer met de arbeidsverhouding is verbonden. Het gaat dus om een redenering (en een motivering) in twee stappen. Het hof heeft ten onrechte deze twee stappen laten samenvallen en zodoende het conceptuele onderscheid tussen het gewoonlijk werkland en het land met de nauwste band miskend. Het had eerst moeten onderzoeken of er een land is dat als het gewoonlijk werkland kan worden aangemerkt. Indien dat Nederland zou zijn, diende vervolgens te worden onderzocht of Hongarije niet toch met de arbeidsovereenkomsten de nauwste band heeft. Het hof heeft dat onderscheid niet gemaakt, maar aan de hand van een serie wegingsfactoren geoordeeld dat Hongarije het gewoonlijk werkland is, althans “
in ieder geval het land waarmee de overeenkomsten tussen Silo en [eiser] c.s. het nauwst is verbonden”. Uit het bestreden arrest kan niet worden opgemaakt welke van de genoemde elementen betrekking hebben op de bepaling van het gewoonlijk werkland en welke elementen moeten worden gezien als behorende tot de toetsing aan de ‘ontsnappingsclausule’. Mede in het licht van de vergaande gevolgen die toepassing van deze bepaling voor werknemers als [eiser] c.s. kan hebben is een zorgvuldige motivering vereist, die evenwel ontbreekt.
“op het grondgebied van een lidstaat”in art. 1 leden Pro 1 en 3 en art. 2 lid 1 van Pro de Detacheringsrichtlijn in die zin moet worden uitgelegd dat de werkzaamheden die in het kader van de terbeschikkingstelling worden uitgevoerd op
of vanuithet grondgebied van een lidstaat moeten plaatsvinden. Beide partijen zijn van mening dat over deze vraag van uitleg het beste prejudiciële vragen gesteld kunnen worden. [54] In mijn conclusie in de parallelle zaak heb ik mij hier bij aangesloten.
niethet gewoonlijk werkland van [eiser] c.s. is, zal hij alsnog moeten beoordelen of een beroep op de Detacheringsrichtlijn kan worden gedaan. Díe beslissing kan dan worden aangehouden totdat het HvJEU in de parallelle procedure meer duidelijkheid heeft verschaft. [eiser] c.s. stellen verder dat de verwijzingsrechter op dat punt niet aan de beslissing van het hof is gebonden als de daartegen in cassatie gerichte klachten onbehandeld zijn gelaten. [56]
tijdelijkwerkland kan hebben te gelden. De door [eiser] c.s. aangevoerde feiten en omstandigheden ter onderbouwing van hun primaire standpunt dat Nederland het gewoonlijk werkland is, kunnen die twijfel versterken. Uiteindelijk betreft het hier evenwel een feitelijke beoordeling.
onder 35). Gezien het slagen van - in ieder geval - subonderdeel A van onderdeel 1, wordt dit onderdeel in zoverre terecht voorgesteld.