Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of dat het hof innerlijk tegenstrijdige vaststellingen aan het bewijs ten grondslag heeft gelegd door enerzijds te overwegen dat verdachte wist dat zich in de luchtkoker waarop hij schoot een persoon bevond, doch anderzijds te overwegen dat verzoeker er niet voor schroomde om een vuurwapen te trekken op het moment dat er geluid (van vermoedelijke inbrekers) was te horen. De voormelde wetenschap van een persoon is niet te verenigen met slechts het vermoeden van een inbrekend persoon.
tweede middelbevat de klacht dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ter vergoeding van de immateriële schade tot het gevorderde bedrag van 75.000 euro onbegrijpelijk is, althans niet zonder meer begrijpelijk, nu het hof heeft overwogen hierbij ook de eigen schuld van de benadeelde partij in aanmerking te hebben genomen, zonder aan die eigen schuld een vermindering van het schadebedrag te verbinden.
derde middelklaagt dat de redelijke termijn is overschreden nu de inzendtermijn meer dan acht maanden heeft bedragen.