ECLI:NL:PHR:2019:1004

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
3 oktober 2019
Zaaknummer
18/03672
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep na mishandeling en taakstraf

De verdachte werd door de kinderrechter veroordeeld voor mishandeling en kreeg een taakstraf opgelegd. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze veroordeling, vernietigde echter het vonnis ten aanzien van de strafoplegging en legde een taakstraf van 40 uur op, met een subsidiaire jeugddetentie en bijzondere voorwaarden.

De verdediging stelde twee middelen van cassatie voor: het eerste middel klaagde over de afwijzing van het verzoek tot het horen van twee getuigen, het tweede middel betrof de afwijzing van een rechtvaardigingsgrond en het verweer dat geen sprake was van opzet. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet ontvankelijk was omdat het arrest niet naar aanleiding van de betreffende terechtzitting was gewezen.

Ten aanzien van het tweede middel stelde de Hoge Raad vast dat de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd was, ook als de verklaring van verdachte buiten beschouwing werd gelaten. De Hoge Raad verwierp het middel en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/03672
Zitting8 oktober 2019

CONCLUSIE

J. Silvis
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 24 juli 2018 het vonnis van de kinderrechter van 7 december 2017, waarbij verdachte wegens “mishandeling” is veroordeeld, bevestigd en het vonnis ten aanzien van de strafoplegging vernietigd. Het hof heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof bijzondere voorwaarden gesteld, een en ander zoals in het arrest bepaald.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.J.J. van der Heiden, advocaat te Den Helder, heeft 2 middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt over ’s hofs afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van twee getuigen.
’s Hofs arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2018 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft bedoeld verzoek afgewezen ter terechtzitting van 19 april 2018. Nu het arrest niet is gewezen naar aanleiding van deze terechtzitting, kan in cassatie over de afwijzing door het hof niet worden geklaagd.
Het
tweede middelklaagt dat het hof in zijn arrest de door de verdediging aangevoerde rechtvaardigingsgrond, inhoudende dat aangeefster verdachte bleef vasthouden en knijpen, ondanks twee verzoeken dat niet te doen, dat hij zich losrukte door haar te duwen en dat hij aangeefster niet tegen de deurpost heeft geduwd, ten onrechte zonder nadere motivering heeft verworpen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat geen sprake is geweest van opzet.
In het door het hof bevestigde vonnis van de kinderrechter is klaarblijkelijk abusievelijk tot het bewijs gebezigd de verklaring van verdachte zoals opgenomen onder B. Indien deze verklaring wordt weggedacht, is de bewezenverklaring zonder meer toereikend gemotiveerd, terwijl hetgeen door de verdediging is aangevoerd het hof niet noopte tot een nadere motivering. [1]
7. Het voorgaande brengt mee dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Het cassatieberoep dient daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Zie HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013, 241.