ECLI:NL:PHR:2019:1005
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uithuisplaatsing van kind met syndroom van Down bij vader
De zaak betreft de uithuisplaatsing van een vierjarig meisje met het syndroom van Down bij haar vader, na een langdurige strijd tussen de ouders en zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder. De moeder was het niet eens met de machtiging tot uithuisplaatsing en stelde dat het hof onvoldoende genuanceerd de feiten had vastgesteld, met name over haar vermeende psychische problematiek en de situatie van de vader.
De kinderrechter had de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van het kind bij de vader bevolen. Het hof bekrachtigde deze beslissing na een mondelinge behandeling, waarbij het oordeelde dat de veiligheid en het belang van het kind het noodzakelijk maakten dat het kind niet bij de moeder verbleef. Het hof constateerde dat de hulpverlening bij de moeder niet goed op gang kwam en dat de omgang met de vader moeizaam verliep. De psychische problematiek van de moeder was niet gediagnosticeerd, maar er waren wel zorgen over stress en beschikbaarheid.
De moeder stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd en eenzijdig had geoordeeld, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof de feiten juist had gewogen, rekening had gehouden met de problematiek van beide ouders en het belang van het kind centraal had gesteld. De klachten van de moeder werden verworpen en het cassatieberoep werd afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader blijft in stand.