Conclusie
[eiser]respectievelijk
[verweerder]) zijn broers. [eiser] heeft in het verleden een boerderijtje verkocht aan zijn schoonzuster (de echtgenote van zijn andere broer [betrokkene 1] ) (hierna:
[betrokkene 2]), waarbij in de leveringsakte onder meer een verkoopverbod/voorkeursrecht ten behoeve van [eiser] is opgenomen. Het boerderijtje was in gebruik bij [verweerder] . Een aantal jaren later is bij notariële akte, verleden tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] enerzijds en [verweerder] anderzijds, vastgesteld dat [verweerder] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van het boerderijtje.
1.Feiten en procesverloop
boerderijtje) met (circa 7 hectare) landbouwgrond te [plaats] . Voor 15 november 1983 pachtte [eiser] reeds de grond van zijn rechtsvoorganger.
de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit van [ [verweerder] ] door verloop van twintig jaren is verjaard [in het jaar 2003 doch ten laatste op 31 december 2003, toev. A-G]” [4] ,
[ [verweerder] ] tengevolge van deze verjaring eigenaar [is] geworden van [het boerderijtje]”.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
6.De slotsom
één van deze anderein eerste aanleg of in hoger beroep gestelde
feitelijke grondslagenkon worden gebaseerd. Deze andere feitelijke grondslagen heeft het hof in het geheel niet onderzocht, waardoor het ofwel heeft miskend dat het, na gegrondverklaring van de betreffende grief, had moeten onderzoeken of het gevorderde toewijsbaar was, ofwel (als het die andere gronden wel heeft onderzocht maar op feitelijke of juridische gronden heeft verworpen, zonder daarvan in het arrest blijk te geven) het arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
[verweerder] heeft niet alleen geprofiteerd van de wanprestatie van [ [betrokkene 2] ], maar heeft die volgens [ [eiser] ] zelfs uitgelokt en bevorderd.”,
[v]oor recht te verklaren dat [verweerder] onrechtmatig tegenover [ [eiser] ] heeft gehandeld door zich in strijd met het in de tussen [ [eiser] ] en [ [betrokkene 2] ] vervatte notariële akte van 14 februari 1984 vervatte contractuele verkoopverbod/voorkeursrecht van koop de eigendom te laten toescheiden van de onbewoonde woning (…).” [17]
Het enkele profiteren door [verweerder] van de wanprestatie van [ [betrokkene 2] ] levert nog geen onrechtmatig handelen van [verweerder] jegens [eiser] op. Daar is meer voor nodig; zie bijvoorbeeld HR 18 juni 1971, NJ 1971/408, 17 mei 1985 NJ 1986/760 en 26 januari 2007 NJ 2007/78. Daaruit valt af te leiden dat naast het profiteren sprake moet zijn van:
het weten of moeten weten van [verweerder] dat [ [betrokkene 2] ] het verkoopverbod zou schenden oftewel zou wanpresteren bij medewerking aan de overdracht aan [verweerder] ;
bijkomende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld ernst en voorzienbaarheid van het nadeel voor [eiser] , beïnvloeding van [ [betrokkene 2] ] door [verweerder] .
Het gaat er om dat [eiser] wordt gebracht in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd indien [verweerder] niet onrechtmatig zou hebben gehandeld oftewel geen misbruik had gemaakt van het wanpresteren van [ [betrokkene 2] ].”
aanvullingop de bij inleidende dagvaarding aangevoerde grondslag
ookhet volgende aan zijn vordering ten grondslag hebben gelegd:
5. Uit het eerste deel van de brief [de brief van de notaris van 30 oktober 2008, overgelegd door [verweerder] bij dupliek – A-G] blijkt eveneens dat [verweerder] – en [betrokkene 2] , zonder slag of stoot, wat klemt daar het boerderijtje althans het perceel als zodanig een aanzienlijke vermogenswaarde vertegenwoordigde – er zelf voor hebben gekozen het metterdaad over de boeg van verjaring te gooien, naar [eiser] aanneemt en stelt in een poging om in strijd met de waarheid een verjaringsconstructie op touw te zetten om het verkoopverbod te omzeilen en zowel mr. Verbeek als [eiser] – die pas na het verlijden van de akte door mr. Verbeek op de hoogte is geraakt – om de tuin te leiden.
tweezelfstandige feitelijke grondslagen, kort samengevat: (i) het onrechtmatig profiteren van wanprestatie, en (ii) het initiëren van leugenachtig omzeilen (s.t., p. 4).
32. Daarnaast beroept [eiser] zich er op dat [verweerder] ook gelet op het in het arrest van de Hoge Raad uit 2014 overwogene onrechtmatig ten opzichte van hem heeft gehandeld, gelet op de hiervoor en hierna genoemde bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder het door [verweerder] als initiator op touw zetten van een verjaringsconstructie, terwijl in werkelijkheid geen sprake was van het vereiste ondubbelzinnige bezit aan zijn zijde.”
overgedragenaan [verweerder] . Ik ontwaar in het onderdeel een drietal klachten.
overdracht, maar van eigendoms
overgang,[betrokkene 2] geen toestemming van [eiser] behoefde en geen sprake was van wanprestatie. [22] In zijn reactie op grief 5 heeft [eiser] deze uitleg niet als zodanig betwist. [23]
Mr. Wammes: De inschrijving is niet constitutief, dit is alleen een vaststelling. Als we naar de verjaringsakte kijken dan wordt dat daar ook zo beschreven. Als vast moet worden gesteld dat er geen verjaring is (stelling van uw cliënt) dan is de vaststelling van verjaring bewerkstellig[d]. Daarmee is er nog geen overdracht. Hoe zit dat juridisch?
overgedragenaan [verweerder] , niet onbegrijpelijk.
tweedeplaats wordt geklaagd, zo begrijp ik [26] , dat het hof is uitgegaan van een
onjuiste rechtsopvattingten aanzien van de
inhoudvan de overeenkomst, nu [eiser] met betrekking tot de uitleg van de overeenkomst zou hebben gesteld dat het instemmen met de verjaringsconstructie met ‘overdracht’ zoals vermeld in de overeenkomst ten minste moet worden gelijkgesteld. [27]
schade(vgl. het bestreden arrest, rov. 5.5). Met grief 15 had [verweerder] betoogd dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] het boerderijtje zelf wilden houden, en daarom zonder de wetenschap van verjaring nooit aan overdracht van het boerderijtje aan [verweerder] zouden hebben meegewerkt en het ook nooit aan [eiser] zouden hebben aangeboden, zodat de rechtbank in haar rov. 5.23 ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiser] schade heeft geleden. [eiser] antwoordt hierop in zijn mva:
68. (…) Volgens [verweerder] zou de rechtbank er kort gezegd ten onrechte aan voorbij zijn gegaan dat [betrokkene 2] het boerderijtje nooit aan [eiser] zou hebben aangeboden.
derdeklacht is het hof uitgegaan van een
onjuiste rechtsopvattingten aanzien van de
rechtsgevolgenvan de overeenkomst, nu het hof zou hebben miskend dat uit de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW Pro) voortvloeit dat een contractspartij niet bevoegd is een contractuele regeling te omzeilen met een constructie die in strijd is met de werkelijkheid. [29]
medewerking van [betrokkene 2] aan een door [verweerder] op touw gezette met de werkelijkheid strijdige verjaringsconstructie’. [31] Het hof gaat er hierbij volgens [eiser] ten onrechte vanuit dat overdracht een noodzakelijke voorwaarde is voor de wanprestatie. [32] Indien het hof de genoemde grondslag wel heeft beoordeeld, is zijn arrest bij gebreke van enige motivering niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
nodig isdat [betrokkene 2] het boerderijtje heeft
overgedragenaan [verweerder] , in het licht van de gedingstukken begrijpelijk is. Tegen de achtergrond van deze (begrijpelijke) uitleg van het verkoopverbod zoals neergelegd in de notariële akte van 14 februari 1984 is niet onjuist dan wel onbegrijpelijk dat het hof heeft volstaan met zijn oordeel dat er (bij gebreke van een overdracht c.q. leveringsakte) van een toerekenbare tekortkoming in de verplichtingen van [betrokkene 2] tegenover [eiser] niet is gebleken. De gestelde alternatieve grondslag was immers niet relevant.