Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
uitsluitendeen rol speelt bij de vaststelling van het ruilplan (de eerste fase van het proces van herverkaveling) en dat voor de vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen (de LGR, de tweede fase van dat proces) ‘de gebruikswaarde’ bepalend is, waarbij een beroep wordt gedaan op HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1020 inzake de herverkaveling Saasveld-Gammelke. [1] Daarbij wordt kennelijk verondersteld dat (dus) die indeling in bodemgeschiktheidsklassen voor de gebruikswaarde niet in aanmerking mag worden genomen. Mijns inziens is dit laatste niet juist. Ook de klachten van de andere onderdelen slagen mijns inziens niet.
2.Feiten en procesverloop
3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel
uitsluitendeen rol speelt bij de vaststelling van het ruilplan (de eerste fase van het proces van herverkaveling) en dat voor de vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen (de LGR, de tweede fase van dat proces) ‘de gebruikswaarde’ bepalend is. Daarbij wordt kennelijk verondersteld dat (dus) die indeling in bodemgeschiktheidsklassen voor de gebruikswaarde niet in aanmerking mag worden genomen. De steller van het middel beroept zich voor de bedoelde opvatting op de beschikking van uw Raad van 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1020 inzake de herverkaveling Saasveld-Gammelke. [6] Mijns inziens is de opvatting waarvan het onderdeel uitgaat niet (geheel) juist en moet de beschikking Saasveld-Gammelke gedeeltelijk anders worden geduid. Dat vergt echter een nogal omstandige uiteenzetting, die ik aan de eigenlijke bespreking van de klachten van het middel laat voorafgaan. [7]
reguleringvan de eigendom, omdat zij geschiedt in het belang van alle bij de herverkaveling betrokken eigenaren. De Groot onderkent dat sindsdien een ontwikkeling heeft plaatsgevonden volgens welke herverkaveling niet enkel in het teken staat van de belangen van de eigenaren van de landbouwgronden, maar tegelijk een instrument van ruimtelijke ontwikkeling is geworden. Daarom deelt hij, zo begrijp ik hem, uiteindelijk toch mijn kwalificatie van herverkaveling als een vorm van eigendoms
ontneming.
gebruikswaardedat via de LGR dient te worden verrekend, ontleent dat waardebegrip zijn inhoud dus aan het stelsel van de Wilg. Het begrip ‘gebruikswaarde’ in de zin van de Wilg kan niet gelijk worden gesteld aan het begrip ‘werkelijke waarde’ in de zin van art. 40b Ow. Laatstbedoelde waarde wordt vastgesteld door vergelijking met koop van het onteigende in het vrije commerciële verkeer, wat past bij een compensatie voor de eigendomsontneming in (uitsluitend) geld. In het geval van herverkaveling staat een ander waardebegrip centraal, door uw Raad aangeduid als de gebruikswaarde. De juiste afgrenzing van dat begrip is, zoals hierna zal blijken, mijns inziens niet geheel zeker, maar behoort in ieder geval aan te sluiten bij het uitgangspunt van herverkaveling dat compensatie in de eerste plaats plaatsvindt door toedeling van zoveel mogelijk gelijkwaardige gronden.
nietvoor.
lijkt. De wetgever heeft niet alleen onderkend dat de waarde [25] niet geheel buiten beschouwing kan blijven omdat ze in de LGR (de tweede fase van de herverkaveling) tot verrekening kan leiden, [26] ook is het niet zo dat onder de Wilg de agrarische ruilwaarde geen rol speelt in de eerste fase, dus bij de uitruil van gronden. Uitruil vindt weliswaar op basis van oppervlakte plaats, maar art. 52 lid 3 Wilg Pro bepaalt ook dat uitgeruilde gronden in beginsel een gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming dienen te hebben. Onder de Landinrichtingswet kwam een vergelijkbare bepaling weliswaar ook al voor, maar toen hield dit niet veel meer in dan dat gronden dezelfde (agrarische) functie moesten kunnen vervullen. [27] Thans wordt aan de bepaling een veel strengere invulling gegeven. Art. 52 lid 4 Wilg Pro bepaalt dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent de gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming. Met art. 15-20 Regeling inrichting landelijk gebied (Rilg) [28] is hieraan invulling gegeven. Art. 17 Rilg Pro bepaalt dat de gelijke hoedanigheid wordt bepaald aan de hand van de bodemgeschiktheid (opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de bodem en de grondwaterkarakteristieken). Aspecten als het feitelijk gebruik, de verkavelingssituatie en de ontsluitingssituatie spelen daarbij volgens art. 18 Rilg Pro geen rol. Uit art. 20 Rilg Pro volgt dat de gronden per gebruiksbestemming ingedeeld moeten worden in minimaal drie bodemgeschiktheidsklassen en op een kaart moeten worden vastgelegd. Omdat de gronden gelet op art. 52 lid 3 Wilg Pro in dezelfde bodemgeschiktheidsklasse vallen, zullen zij dezelfde kwaliteit en daardoor dezelfde agrarische ruilwaarde hebben. [29]
naargelang zij van de herverkaveling profijt hebben(art. 62 lid 1 onder Pro a jo. art. 68 lid 1 onder Pro a Wilg jo. art. 90 lid 3 Wilg Pro).
volledigecompensatie van deze eigenaar.
uitsluitendeen rol speelt bij de vaststelling van het ruilplan (de eerste fase van het proces van herverkaveling) en dat voor de vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen (de LGR, de tweede fase van dat proces) ‘de gebruikswaarde’ bepalend is. Daarbij is kennelijk zijn veronderstelling dat (dus) die indeling in bodemgeschiktheidsklassen voor de gebruikswaarde niet in aanmerking mag worden genomen.
dat volgens het stelsel van de Wilg alle voor- en nadelen als gevolg van de ruiling via de LGR dienen te worden verrekend. Daarmee wordt voorzien in een algehele financiële afwikkeling van de herverkaveling. Het gaat daarbij niet alleen om verschillen in oppervlakte, maar ook om eventuele verschillen in gebruikswaarde of kwaliteit.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Wilg voorziet in de mogelijkheid dat ook verschillen in gebruikswaarde of kwaliteit via de LGR verrekend worden(rov. 4.9) en dat de Nadere Regels niet in strijd zijn met de Wilg en derhalve niet onverbindend zijn (rov. 4.12).
Deze indeling heeft aldus betrekking op de eerste fase van het herverkavelingsproces (de vaststelling van het ruilplan) en niet op de tweede fase (de vaststelling van de LGR). Het feit dat de ingebrachte en de toegedeelde kavels in dezelfde klasse van bodemgeschiktheid vallen, laat onverlet dat sprake kan zijn van een (voor verrekening via de LGR in aanmerking komend) verschil in gebruikswaarde of kwaliteit tussen de ingebrachte en de toegedeelde kavels.[verzoeker] betwist in deze procedure niet dat zojuist bedoeld verschil in het onderhavige geval € 93.933 bedraagt, zoals vermeld in de LGR (zie hiervoor in 3.1 onder (iv)).’
forfaitaire begrotingvan de agrarische waarde van de ingebrachte en toegedeelde percelen. Ieder perceel werd ingedeeld in een kwaliteitsklasse en voor elke klasse werd een agrarische waarde per hectare vastgesteld (art. 162 Liw Pro). Volgens art. 140 Liw Pro was deze forfaitair vastgestelde waarde de waarde die tot uitgangspunt diende zowel voor de toepassing van de toenmalige ruilgrondslag (art. 141 lid 2 Liw Pro) als de verrekening van waardeverschillen in de LGR (art. 145 Liw Pro). Een dergelijke bepaling ontbreekt in de Wilg. De commissie Wilg heeft destijds naar aanleiding van het ontwerp wetsvoorstel opgemerkt dat dit zou betekenen dat door het ontbreken van een indeling in waardeklasse voortaan het ‘werkelijke waardeverschil’ zal dienen te worden verrekend en niet meer aangesloten kan worden bij de forfaitaire waardeklassen. [51] Dit lijkt mij op zichzelf juist, maar staat er niet aan in de weg dat de begroting van de gebruikswaarde mede plaatsvindt aan de hand van een agrarische waarde per bodemklasse. In gevallen waarin dat nodig is, kan vervolgens zo nodig een correctie plaatsvinden in verband met het grofmazig karakter van de indeling in waardeklassen. Uiteraard zal voor zodanige correcties minder reden bestaan naarmate meer waardeklassen worden gebruikt en/of de kwaliteit van de gronden die het blok omvat eenvormiger is. Ook zullen bekwame schatters gronden deels in de ene en deels in een andere bodemklasse kunnen indelen, om zo gepast maatwerk te leveren.
oppervlaktetussen inbreng en toedeling op grond van art. 62 lid 2 Wilg Pro in de LGR de ‘agrarische verkeerswaarde’ van de grond bepalend is, die op grond van art. 63 lid 2 Wilg Pro jo. art. 2 Bilg Pro wordt vastgesteld aan de hand van het prijsniveau van landbouwgronden die in het blok (of buiten het blok indien geen of te weinig verkopen binnen het blok hebben plaatsgevonden) het jaar voorafgaand aan de terinzagelegging van het ruilplan zijn verkocht. Een (uitdrukkelijke) koppeling tussen deze agrarische verkeerwaarde en de bodemgeschiktheidsklassen heb ik in de Wilg of Bilg niet aangetroffen. In de praktijk stellen GS echter per bodemgeschiktheidsklasse de agrarische verkeerswaarde conform art. 2 Bilg Pro vast. [52] Ook die praktijk lijkt mij alleszins toelaatbaar. Daarvan uitgaande kan die agrarische verkeerswaarde mede tot uitgangspunt dienen voor de verrekening van verschillen in wat uw Raad in de beschikking Saasveld-Gammelke de gebruikswaarde van de ingebrachte en toegedeelde percelen noemt. Dat geldt óók indien zou moeten worden aangenomen (vergelijk hiervoor onder 4.43) dat onder verschillen ‘in gebruikswaarde of kwaliteit’ méér behoort te worden verstaan dan een verschil in hoedanigheid of gebruiksbestemming in de zin van art. 52 lid 3 Wilg Pro. Bodemgeschiktheid is hoe dan ook een belangrijk element van de gebruikswaarde. Een begrotingsmethode die haar vertrekpunt kiest in een verkeerswaarde die afhangt van de bodemgeschiktheid is daarom alleszins zinvol. Vervolgens kunnen daarop correcties worden toegepast zo vaak als dit voor behoorlijk maatwerk nodig blijkt.
uitsluitendin de eerste fase (het ruilplan) van de herverkaveling een rol speelt en daarom voor de verrekening van verschillen in gebruikswaarde in de tweede fase van de LGR niet in aanmerking mag worden genomen? Mijns inziens is het niet juist om dat in de beschikking te lezen. De overwegingen van uw Raad staan in de sleutel van de kwestie die was ontstaan doordat de wetgever een van de verrekenposten van de Landinrichtingswet niet één op één in de Wilg heeft overgenomen.
Diekwestie wordt door uw Raad in de beschikking Saasveld-Gammelke geredresseerd. Dat gebeurt weliswaar met een formulering die mogelijk een ruimere strekking heeft. Ook dan geldt echter dat de omstandigheid dat de indeling in bodemgeschiktheidsklassen als bedoeld in art. 20 lid 1 Rilg Pro ten dienste staat van het bepalen van de uitruilbaarheid van gronden en daarmee van de vaststelling van het ruilplan (rechtsoverweging 3.5.5 van de beschikking Saasveld-Gammelke), niet uitsluit dat GS, de Uitvoeringscommissie en de aangestelde schatters kiezen voor een methodiek ter vaststelling van de gebruikswaarde – zoals van belang voor verrekening van verschillen in gebruikswaarde en kwaliteit in de LGR – die in die indeling in bodemgeschiktheidsklassen zijn vertrekpunt kiest. Ook het uitgangspunt dat alle voor- en nadelen als gevolg van de ruiling via de LGR dienen te worden verrekend (rechtsoverweging 3.5.10) [53] staat hieraan niet in de weg. De bedoelde methodiek kan voor een ordelijke vaststelling van die voor- en nadelen integendeel behulpzaam zijn.
nietworden verrekend, is met de beschikking Saasveld-Gammelke geredresseerd, evenals in het voorgestelde toekomstige recht. [54] In de tweede plaats bestaat er naar huidige recht, anders dan onder de Landinrichtingswet, geen wettelijke grondslag meer voor een forfaitaire begroting van de agrarische verkeerswaarde van ingebrachte en toegedeelde percelen. [55] Dat is geen reden om een gangbare en naar tevredenheid functionerende uitvoeringspraktijk geheel op de kop te zetten. De schatting van de agrarische verkeerswaarde kan nog steeds plaatsvinden door te rekenen met een waarde per bodemklasse, met slechts deze bijzonderheid dat in individuele gevallen een correctie kan plaatsvinden. Een verstandig gebruik van de indeling in bodemklassen zal zo’n correctie intussen doorgaans overbodig maken. Die agrarische verkeerswaarde is weliswaar bepaald niet het enige dat valt te verrekenen, noch onder de Landinrichtingswet noch onder de Wilg, maar wel nog steeds een zinvol vertrekpunt. Vervolgens wordt in dezelfde stappen als onder de Landinrichtingswet de noodzaak onderzocht van verrekening om andere redenen dan een verschil in agrarische verkeerswaarde. Ook los van het argument van continuïteit ten opzichte van de praktijk onder de Landinrichtingswet geldt dat deze aanpak doelmatig is, omdat zij aansluit bij wat reeds verplicht bij de vaststelling van het ruilplan en de uitsplitsing van de verrekenposten in de LGR plaatsvindt. De beschikking Saasveld-Gammelke geeft mijns inziens geen aanleiding voor een andere koers. Dat volgens die beschikking alle voor- en nadelen als gevolg van de ruiling in de LGR moeten worden verrekend, is niet onverenigbaar met een methodiek die vanuit de agrarische verkeerswaarde vertrekt. [56] Dat geldt ook indien onder de in die beschikking bedoelde verschillen ‘in gebruikswaarde of kwaliteit’ meer moet worden verstaan dan een verschil in hoedanigheid of gebruiksbestemming in de zin van art. 52 lid 3 Wilg Pro.
onderdeel III. Dat onderdeel richt klachten tegen de rechtsoverwegingen 4.14 en 4.15. Die overwegingen luiden als volgt: