ECLI:NL:PHR:2019:1246
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens niet tijdig instellen beroep
De verdachte, woonachtig in België, werd bij arrest van 3 maart 2000 door het gerechtshof Arnhem veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. De mededeling van deze uitspraak werd op 29 mei 2007 aangetekend verzonden naar het Belgische adres van de verdachte, begeleid door een zogenaamde rode kaart.
De rode kaart vertoonde een handtekening die sterk leek op eerdere handtekeningen van de verdachte bij ontvangst van processtukken, hoewel het vakje "ontvangen" niet was aangekruist. De advocaat-generaal stelde dat dit voldoende bewijs was dat de verdachte de mededeling persoonlijk had ontvangen, zodat het beroep in cassatie binnen veertien dagen na ontvangst had moeten worden ingesteld.
Omdat het beroep pas op 13 februari 2017 werd ingesteld, ruim na de termijn, concludeerde de advocaat-generaal dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Hoge Raad werd geadviseerd het beroep niet-ontvankelijk te verklaren zonder inhoudelijke behandeling van het cassatiemiddel.
Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig instellen van het beroep.