ECLI:NL:PHR:2019:125

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2019
Publicatiedatum
12 februari 2019
Zaaknummer
16/05038
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

Verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zeven maanden wegens medeplegen van voorbereidingsfeiten op grond van de Opiumwet. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld door een advocaat. De aanzegging van het cassatieberoep vond plaats op 8 november 2017, waarna de termijn voor het indienen van middelen op 8 januari 2018 afliep.

Binnen deze termijn zijn geen middelen van cassatie ingediend. Hierdoor kan verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep op grond van artikel 437, tweede lid, Sv. De procureur-generaal concludeert dan ook tot niet-ontvankelijkheid van verdachte in het cassatieberoep.

De zaak kent samenhang met andere zaken waarin eveneens conclusies zijn genomen. De Hoge Raad zal het cassatieberoep niet inhoudelijk behandelen vanwege de niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 16/05038
Zitting: 12 februari 2019 (bij vervroeging)
Mr. B.F. Keulen
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 7 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens 3 ‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen
enmedeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen, inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
enmedeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zeven maanden.
Er bestaat samenhang met de zaken 16/05216, 16/05428 en 17/00331. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 8 november 2017 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn liep derhalve af op (maandag) 8 januari 2018. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG