Conclusie
de gemeente) misbruik maakt van haar executiebevoegdheid door een bodemvonnis ten uitvoer te leggen zonder het door verweersters in cassatie (hierna:
[verweesters]) daartegen ingestelde hoger beroep af te wachten. Anders dan de voorzieningenrechter heeft het hof die vraag bevestigend beantwoord. Volgens het hof bevat het geëxecuteerde vonnis twee klaarblijkelijke misslagen: (i) een ontoelaatbare verrassingsbeslissing omdat de vordering van de gemeente op een andere grondslag (dwaling) is toegewezen dan waarvan de rechtbank bij tussenvonnis was uitgegaan (toerekenbare tekortkoming) en (ii) het ongemotiveerd passeren van het verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. In cassatie klaagt de gemeente in de kern dat het hof de grenzen van de taak van de executierechter heeft miskend. [1]
uitsluitend en volledig zullen aanwenden voor verplaatsing van hun activiteiten naar het bedrijventerrein [b-straat] te [plaats] .” [3] Tevens is bepaald dat verweersters sub 1 en 2 een schriftelijke werkgelegenheidsgarantie zouden verstrekken “
met derdenbeding ten behoeve van de individuele werknemers en [zich] verplichten (…) deze garantie zowel jegens de gemeente als jegens de individuele werknemers onverkort na te komen.” [4]
de bodemzaak). Daarin heeft zij onder meer terugbetaling gevorderd van wat zij aan [verweesters] te veel had betaald. Dat bedrag heeft zij berekend als: [6]
de spoorwisseling. Een ander verschil is dat de rechtbank niet overgaat tot het benoemen van schade-experts maar bij de vaststelling van het schadebedrag in belangrijke mate afgaat op het taxatierapport van DTZ Zadelhoff.
2.Procesverloop
nietis teruggekomen op een bindende eindbeslissing, anders dan [verweesters] hadden betoogd:
het hof) het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gemeente verboden over te gaan tot tenuitvoerlegging en de tenuitvoerlegging geschorst. Het hof heeft de gemeente veroordeeld tot betaling van een dwangsom en haar veroordeeld in de kosten van beide instanties. [9]
een juridische fout” (rov. 5.11). Dit brengt het hof tot de volgende voorlopige conclusie:
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Vooraf
Ritzen/Hoekstra, uit 1983, overwoog de Hoge Raad (onderstreping toegevoegd; A-G): [11]
kan de rechter slechts de staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerdedie door de ontruiming zullen worden geschaad,
geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berustof indien de ontruiming op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.”
kan de rechterslechtsde staking van de tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen, indien(…)”). Uitgangspunt is dat de executant tot executie bevoegd is. [14] Alleen in geval van misbruik van de executiebevoegdheid (“
geen in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid”; art. 3:13 lid 2 BW Pro) kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging schorsen of staken. [15]
Comprifalt/Compri Aluminium [17] opgemerkt dat een strikte uitleg van de begrippen ‘klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag’ op zijn plaats is, teneinde het insluipen van een verkapt appel zo veel mogelijk te voorkomen. Volgens Asser moet het gaan om “
een zo evidente vergissing in het recht of de feiten dat daarover geen redelijke twijfel bestaat”. Ik denk dat deze (strikte) lijn nog steeds de juiste is.
NJ1984/145 (
Ritzen/Hoekstra), doch deze norm moet worden aangevuld met de algemeen geldende eisen voor toewijzing van een vordering in kort geding (in het bijzonder de vereiste belangenafweging). Deze uitgebreide norm is gelijk aan de norm voor toewijzing van een incidenteel verzoek tot schorsing hangende hoger beroep ex art. 351 Rv Pro.”
moet worden aangevuld” duiden erop dat deze auteur daarbij kennelijk denkt aan een belangenafweging nadat een klaarblijkelijke misslag is vastgesteld. Met andere woorden, ook als er een gerede kans is dat een bodemvonnis wegens een kennelijke misslag in hoger beroep onderuit gaat, staat daarmee nog niet zonder meer vast dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid heeft.
Ritzen/Hoekstra-criterium ook zo kan worden gelezen dat de belangenafweging
onderdeelis van de toets of de bodemuitspraak een klaarblijkelijke misslag bevat. Ik wijs naar de door mij in het citaat onderstreepte zinsdelen (zie hiervoor, 3.3). Daaruit blijkt dat de voorzieningenrechter de executie kan schorsen als de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde niet een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de executie en
dat dit geval zich voor kan doen indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een misslag berust. Anders gezegd, als een dergelijke misslag wordt geconstateerd, kan dat op zichzelf reden zijn waarom de executant onvoldoende belang heeft bij de executie. De executierechter hoeft dan niet afzonderlijk een belangenafweging te maken. Ik vind het beter passen bij de rechtspraak over het kort geding in het algemeen [22] om uit te gaan van een separate belangenafweging. De vraag of het te executeren vonnis een misslag bevat laat zich bovendien beantwoorden zonder dat de belangen van de geëxecuteerde in aanmerking worden genomen. [23]
Onderdeel Iziet op de toepassing die het hof heeft gegeven aan de hiervoor genoemde beoordelingsmaatstaf en vormt m.i. de kern van het cassatieberoep.
Onderdeel IIziet op de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof zou die grenzen hebben miskend.
Onderdeel IIIkomt op tegen het oordeel van het hof dat de juridische spoorwisseling moet worden gekwalificeerd als een “
evidente juridische misslag”.
Onderdeel IVvecht het oordeel aan dat het achterwege laten van een gemotiveerde beslissing op het verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad op een “
juridische fout” berust.
integralebeantwoording van de vraag of sprake was van een (ontoelaatbare) verrassingsbeslissing,
GEEN UITVOERBAAR BIJ VOORRAADVERKLARING
in het executiegeschilen niet op een hoger beroep in de bodemprocedure waarop het executiegeschil betrekking heeft. Dit acht ik onjuist. Ik verwijs naar 3.8 hiervoor.
subonderdelen I Een
I Fzijn beide gericht tegen de door het hof in rov. 5.13 uitgevoerde belangenafweging. Nu subonderdelen I A tot en met I C (grotendeels) slagen, heeft de gemeente bij de subonderdelen I E en I F geen belang.
onderdeel Islaagt dient het bestreden arrest te worden vernietigd. De gemeente heeft bij de overige klachten daarom geen belang. Ten overvloede zal ik hierna onderdelen II, III en IV desalniettemin behandelen, echter alleen voor zover die onderdelen inhoudelijk iets kunnen toevoegen aan onderdeel I.
schade uitkomsten voor de rechtbank dezelfde zijn”, en dat dit oordeel door [verweesters] in hoger beroep in de bodemzaak moet worden aangevochten. [33] Volgens het subonderdeel brengt het voorgaande met zich mee dat het hof de overwegingen van de voorzieningenrechter als vaststaand had moeten beschouwen. Door dat niet te doen, heeft het hof artikel 24 Rv Pro en de grenzen van de rechtsstrijd miskend, aldus het subonderdeel.
wel degelijk het rapport van DTZ Zadelhoff hebben bestreden, zij het niet zeer uitvoerig”, waarna het hof in rov. 5.10 weergeeft wat die betwisting inhield. Het hof overweegt dat de rechtbank niet zonder nadere motivering aan dit verweer voorbij mocht gaan, maar niet dat aan [verweesters] de mogelijkheid is onthouden om op dit punt verweer te voeren. Ik wijs er nog op dat ook in dit executiegeschil [verweesters] c.s uitsluitend hebben betoogd dat de bodemrechter acht had moeten slaan op hun gemotiveerde betwisting. [37]
op aan de diverse grondslagen van de vordering van Gemeente Nijmegen verbonden verschillende fiscale gevolgen, hetgeen ook niet zonder betekenis kan blijven.” De voorzieningenrechter heeft hierover het volgende overwogen: “[
[verweesters]]
hebben ter zitting slechts aangevoerd dat de fiscale consequenties anders voor hen zijn naar gelang het om het een of het ander gaat, maar dat speelt in het kader van de begroting van de schade of het nadeel verder geen rol.” [verweesters] hebben tegen deze overweging niet gegriefd. Door desalniettemin op de bewuste overweging terug te komen, heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd miskend.
De grondslagen dwaling en tekortkoming leiden tot verschillende uitkomsten en gevolgen”. Het gaat mij echter te ver om hier een grief tegen het bedoelde oordeel van de voorzieningenrechter in te lezen.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
een afzonderlijk herstelvonnis (…) daartoe niet zonder meer steeds vereist [is]” onjuist is. Het hof miskent dat een op de voet van art. 31 Rv Pro gegeven herstelvonnis, evenals andere schriftelijke rechterlijke uitspraken, moet vermelden welke rechter of rechters dat vonnis gewezen hebben. Weliswaar bepaalt art. 230 lid 3 Rv Pro dat een door de meervoudige kamer gewezen vonnis ondertekend wordt door de voorzitter en de griffier, zoals het hof in rov. 5.2 op zichzelf met juistheid oordeelt, art. 230 lid 3 Rv Pro moet echter in samenhang met art. 230 lid Pro 1, aanhef en letter g, Rv worden gelezen. Deze samenhang tussen het eerste en het derde lid van art. 230 Rv Pro waarborgt het (fundamentele procesrechtelijke) recht van de procespartijen (en derden) om te weten wie de rechters zijn die het vonnis gewezen hebben. Dat recht wordt niet gewaarborgd, als een herstelvonnis niet zou hoeven te vermelden door welke rechters het is gewezen. Daarom geldt ook voor een op de voet van art. 31 Rv Pro gewezen herstelvonnis de eis van art. 230, aanhef en letter g, Rv. Het hof heeft dit evenwel miskend.
niet zonder meer steeds vereist”, zoals het hof in rov. 5.2 oordeelt, maar vereist is wèl dat het herstelvonnis vermeldt welke rechter of rechters het herstelvonnis hebben gewezen.