Conclusie
1.Feiten
management feevanaf oktober 2001, door [eiser] ter comparitie in eerste aanleg geschat op in totaal ongeveer € 45.000,00, niet betaald zijn door [B] .
dat de tussen ons gesloten overeenkomst inzake de gehele claim derhalve is beëindigd en ik ga ervan uit dat we bij deze over en weer niets van elkaar te vorderen hebben’. Hierop heeft [verweerder 1] laten weten dat het dossier beschikbaar is.
Liability
.
2.Het procesverloop
management feein het faillissement moeten indienen (rov. 4.10.);
Aansprakelijkheid
Finale kwijting, klachtplicht
‘dat de tussen ons gesloten overeenkomst inzake de gehele claim derhalve is beëindigd en ik ga ervan uit dat we bij deze over en weer niets van elkaar te vorderen hebben' en naar het antwoord van [verweerder 1] daarop ‘
dossier ligt klaar. We maken als je het niet erg vindt geen kopieën. Laat even weten wanneer je hier komt.’
en ik ga ervan uit dat we bij deze over en weer niets van elkaar te vorderen hebben) in de mail waarmee [eiser] de opdracht aan [verweerder 1] beëindigt, niet kan worden begrepen als een algehele finale kwijting tussen [eiser] en [verweerder 1] . Andere feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [eiser] hiermee heeft bedoeld [verweerder 1] finaal te kwijten voor vorderingen, zoals in dit geschil aan de orde, zijn door [verweerder 1] gesteld noch anderszins gebleken.”
3.Het principaal cassatieberoep
zo toch zeker in 2006 (toen [betrokkene 1] bij de procedure in eerste aanleg, zich beriep op de niet gestuite verjaring). Door tot 11 maart 2011 te wachten met het informeren van [verweerder 1] , heeft [eiser] zijn rechten verwerkt, zo deze al niet verjaard zijn, om het gebrek aan stuiting, zo dit al had kunnen geschieden, nog toe te rekenen aan [verweerder 1] . [verweerder 1] doet hier een nadrukkelijk beroep [op] artikel 6:89 BW Pro, waarin het een partij - in casu [eiser] - wordt gegeven om binnen een bepaalde bekwame termijn over te gaan tot klagen, zodra hij de reden tot klagen heeft ontdekt. Let wel, [eiser] wist ofwel in 2004, ofwel in 2005, danwel in 2006 van het gebrek ten aanzien van de stuiting. Door te wachten met klagen tot 11 maart 2011, heeft hij in de optiek van [verweerder 1] niet voldaan aan de eis van artikel 6:89 BW Pro.” (onderstreping A-G)
onderdeel 1slaagt voor zover het de in randnummer 2.1.4 opgenomen klacht betreft, en voor het overige faalt.
NJ2014/497 m.nt. Jac. Hijma (
[…] /Rabobank). Uit rov. 4.2.1-4.2.6 van dit arrest volgt volgens [eiser] dat er sprake is van een variant op de figuur van de rechtsverwerking en dat de vraag of van schending sprake is, moet worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn.
“We dachten dat we in hoger beroep een ander oordeel zouden krijgen dan van de Rechtbank Midden-Nederland. Als een advocaat goed verzekerd is maakt het niet uit wanneer ik mijn claim indien.”(zie voor het citaat de vierde alinea van de tekst in randnummer 2.2.5).
NJ2014/497 m.nt. Jac. Hijma (
[…] /Rabobank), rov. 4.2.5) en dat bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd ook van belang is of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd (rov. 4.2.6 uit zojuist genoemd arrest). [12]
alleomstandigheden van het geval, mag mijns inziens, in het kader van de vraag of degene over wiens handelen geklaagd wordt (de beklaagde) nadeel heeft geleden door het (late) moment waarop is geklaagd, óók rekening worden gehouden met omstandigheden van het geval die meebrengen dat dit nadeel (mede) voor rekening en risico komt van de beklaagde. Dit heeft het hof mijns inziens miskend in rov. 3.11 van het eindarrest waar het zonder meer overweegt dat [eiser] door het tijdstip waarop hij heeft geklaagd [verweerder 1] nadeel heeft berokkend, omdat diens beroepsaansprakelijkheidsverzekering per 8 april 2008 is opgezegd. Ik wijs er in dit verband op dat [eiser] in eerste en tweede aanleg heeft aangevoerd dat [verweerder 1] verweten kan worden dat hij per 8 april 2008 niet langer verzekerd is. [13] Anders dan het hof blijkens rov. 3.12 kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen, begrijp ik de stellingen van [eiser] in feitelijke instanties niet aldus dat hij het ‘verzekeringsverwijt’ niet (ook) heeft bedoeld als bij de beoordeling van de klachtplicht mee te wegen omstandigheid. Hierbij weeg ik mee dat het beroep van [verweerder 1] op schending van de klachtplicht in eerste aanleg geen grote rol heeft gespeeld en derhalve in de memorie van grieven van [eiser] ook niet uitgebreid over het voetlicht is gekomen. De klachten van onderdeel 2 betogen mijns inziens dan ook terecht dat het hof ook bij de beoordeling van het beroep op de klachtplicht kenbaar had moeten reageren op de gestelde omstandigheid dat het ‘verzekeringsnadeel’ door [verweerder 1] zelf is veroorzaakt en voor zijn risico dient te komen.
onderdeel 2slaagt. Na verwijzing zal het hof dat de zaak verder zal behandelen de genoemde omstandigheid alsnog moeten meewegen.
onderdeel 3.
onderdeel 4doel.
4.Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
voorwaardelijkhad moeten stuiten (voor het geval [eiser] later alsnog op enig moment rechthebbende op de vordering zou worden) en betoogt dat dit oordeel eveneens onjuist en/of onbegrijpelijk is. In dat geval heeft het hof volgens [verweerders] miskend dat een dergelijke voorwaardelijke stuiting rechtens niet mogelijk is. Bovendien zou het hof dan buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep zijn getreden, gelet op rov. 4.13. van het eindvonnis van de rechtbank in deze zaak (hiervoor randnummer 2.7) en het feit dat [eiser] in hoger beroep geen grief heeft gericht tegen deze rechtsoverweging.
dominus litis– mocht afgaan op enkel de mondelinge bevestiging (let wel: van zijn cliënt) zonder bewijs, maar ook als het hof dit betoog zou hebben willen verwerpen, had dit (omdat het een essentiële stelling betreft) niet zonder motivering gekund. Het subonderdeel klaagt dan ook terecht dat het hof dit argument onbesproken heeft gelaten.
onderdeel 1in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep slaagt.
Onderdeel 2slaagt.