ECLI:NL:PHR:2019:1317
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens teruggegeven vaarbewijs na overschrijding termijn onderzoek
De klager had zijn vaarbewijs op 9 november 2018 ingevorderd gekregen wegens verdenking van varen onder invloed. De officier van justitie had het vaarbewijs op 19 november 2018 voor twaalf maanden ingehouden. Het strafonderzoek was echter niet binnen 26 weken na de dag van invordering aan de terechtzitting begonnen.
Op grond van artikel 35a lid 3 sub c van de Scheepvaartverkeerswet werd het vaarbewijs op 14 mei 2019 onverwijld teruggegeven aan de klager. Hierdoor was er geen grond meer voor de inhouding van het vaarbewijs. De rechtbank had het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard.
De advocaat-generaal stelde dat de klager geen belang meer had bij het cassatieberoep omdat de teruggave van het vaarbewijs de rechtspositie van klager niet meer zou veranderen. De Hoge Raad volgde dit standpunt en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.
De beschikking vermeldde abusievelijk dat het klaagschrift was ingediend op grond van artikel 164 lid 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het hier ging om de Scheepvaartverkeerswet.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klager wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het vaarbewijs reeds is teruggegeven.