Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
Onder aklagen de curatoren dat het hof in rov. 6.3, 6.6 en 6.12 - 6.14 heeft miskend dat wanneer een partij ten onrechte niet de overeengekomen weg naar de bindend adviseur volgt, maar rechtstreeks een procedure begint bij de burgerlijke rechter, dit niet behoort te leiden tot afwijzing van de vordering, maar tot een niet-ontvankelijkverklaring, althans tot een onbevoegdverklaring van de rechter.
Onder bklagen zij dat het hof in het
dictumten onrechte (de afwijzing van de vordering in) het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd.
Onder cklagen zij – subsidiair, voor zover de rechtsklachten onder a en b niet zouden slagen – dat het bestreden arrest onbegrijpelijk is ten aanzien van de bekrachtiging van het vonnis.
bevoegdom kennis te nemen van de vordering, de vordering kan door hem niet in behandeling worden genomen omdat partijen een andere wijze van geschillenbeslechting met elkaar zijn overeengekomen. Ik breng in herinnering dat hetgeen traditioneel wordt aangeduid als een ‘bindend advies’-beding in een (andersoortige) overeenkomst, in wezen een ‘vaststellingsovereenkomst’ is in de zin van art. 7:900 BW Pro indien partijen, ter beëindiging of voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar binden aan een vaststelling daarvan die bestemd is om óók te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. De vaststelling kan tot stand komen, onder meer, krachtens een aan een derde (de ‘bindend adviseur’) opgedragen beslissing. [8]
primairde niet-ontvankelijkverklaring van de curatoren eiste en slechts
subsidiairbekrachtiging van de beroepen vonnissen.
envan het eindvonnis van de rechtbank, zelf de zaak kunnen afdoen door alsnog de curatoren in hun (in hoger beroep enigszins gewijzigde) vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Vervolgens staat het de curatoren vrij om hun vordering voor te leggen aan de bindend adviseur.
3.Bespreking van het middel in het incidenteel cassatieberoep
waaromde tweede grief geen behandeling meer behoeft zodat aan beide partijen duidelijk is dat zij hun financiële aanspraken over en weer aan de bindend adviseur moeten voorleggen.
voorwaardelijkverrekening met haar tegenvordering tot schadevergoeding, namelijk: “indien en voor zover er enige vordering van Impact Retail op LaSer zou blijken te bestaan”. [11] In haar incidenteel appel heeft LaSer hetzelfde gesteld. [12] Als gevolg van zijn oordeel dat de curatoren zich tot een bindend adviseur hadden moeten wenden, is het hof niet toegekomen aan een inhoudelijke beslissing over de (hoogte van de) vordering van de curatoren. Daarmee was niet aan de door LaSer gestelde voorwaarde voor verrekening voldaan. Dan valt − ook zonder een nadere motivering − goed te begrijpen waarom het hof van oordeel was dat de tweede grief in het incidenteel appel geen bespreking meer behoefde.
ende appelzaak zelf afdoet door het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de curatoren in hun vordering niet-ontvankelijk te verklaren, kunnen de curatoren zich alsnog tot een bindend adviseur wenden. Indien LaSer zich dan tegenover de bindend adviseur op verrekening met de door haar gepretendeerde vordering tot schadevergoeding beroept, kunnen partijen hetzij gezamenlijk daarover het oordeel van de bindend adviseur vragen, hetzij aan de burgerlijke rechter een beslissing over de mogelijkheid van verrekening verzoeken
nadatde bindend adviseur de omvang van de vordering van de curatoren heeft vastgesteld. [14] Na de vernietiging van het vonnis van de rechtbank kan vanzelfsprekend geen beroep worden gedaan op het gezag van gewijsde van dat vonnis. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist omtrent het verrekeningsverweer kan dan niet meer aan LaSer worden tegengeworpen. In deze context mist LaSer belang bij deze klacht in cassatie.
in abstracto, voor het geval dat in een nog te geven bindend advies zal zijn vastgesteld welk bedrag Impact (in dit geval: de curatoren) te vorderen heeft van LaSer. Een verklaring voor recht is in dit geding niet gevorderd. Ook overigens bieden de stukken van dit geding mijns inziens de rechter geen ruimte om dit alternatief toe te passen. Naar mijn mening treft onderdeel 2.2 om de hiervoor genoemde redenen geen doel.