Conclusie
1.Inleiding
2.De Euthanasiewet (Wtl) en de toetsingsprocedure in het kort
3.De oordelen van de toetsingscommissie en het Centraal Tuchtcollege
4.Het toetsingskader van het Centraal Tuchtcollege
5.Het schriftelijk verzoek om euthanasie. De uitleg door de arts.
objectiefbezien onvoldoende duidelijkheid boden ten aanzien van het moment waarop patiënte het toepassen van euthanasie wenste. Deze overweging van het Centraal College is niet uitgewerkt. Als er al met inachtneming van de omstandigheden een ander moment voor het toepassen van euthanasie uit de verklaring(en) naar voren komt, dan moet dat op z’n minst een aannemelijke mogelijkheid zijn geweest die de arts behoorde af te wegen, maar daarvan wordt geen voorbeeld gegeven. Dat de schriftelijke verklaring er mogelijk toe strekte later een mondeling verzoek te willen doen, is een uitleg waartoe in mijn ogen niet ‘met inachtneming van de omstandigheden’ kan worden gekomen. Ik acht de hier besproken overweging van het Centraal College over de uitleg van de wilsverklaring, weinig overtuigend en niet in lijn met de bedoeling van de wetgever.
6.Euthanasie en communicatie met de wilsonbekwame patiënt
Communicatie over het voornemen van euthanasietoepassing
zouden kunnen worden opgevat(curs. JS) als bezwaar tegen levensbeëindiging. Is daarvan sprake, dan is uitvoering van het euthanasieverzoek niet aan de orde (p. 24). In de code van 2018 staat (op p. 39) meer geconcretiseerd dat de arts alert moet zijn op uitingen
die wijzen opbezwaar tegen levensbeëindiging. Als daarvan sprake is, dan kan uitvoering van de euthanasie niet plaatsvinden. De in de vorige paragraaf geciteerde eis (onder b), waar ook het Regionaal Tuchtcollege op wijst, dat in de periode waarin de patiënt zich niet meer (goed) kon uiten
nietsis gebleken van uitingen van de patiënt die haaks staan op de inhoud van de wilsverklaring, is mijns inziens te strikt geformuleerd. De beantwoording van de vraag of tegenstrijdige uitlatingen van een wilsonbekwame patiënt omtrent zijn stervenswens in het specifieke geval als contra-indicatie moeten worden beschouwd, vergt een medisch professioneel oordeel van de arts.
fysiek(mijn cursivering) niet meer in staat is zijn wil te uiten, waardoor een mondelinge bevestiging van het verzoek niet mogelijk is en d. de wilsverklaring vooral richtsnoer zal kunnen zijn voor de arts indien het gaat om een patiënt die reeds zo dement is, dat van het coherent kenbaar maken van een wil geen sprake meer is. [43]
7.Samenvatting en slot
objectiefonvoldoende duidelijk is. Deze overweging wordt niet uitgewerkt. Als er al met inachtneming van de omstandigheden een ander moment voor het toepassen van euthanasie uit de verklaring(en) naar voren komt, dan moet dat op z’n minst een aannemelijke mogelijkheid zijn geweest die de arts behoorde af te wegen, maar daarvan wordt geen voorbeeld gegeven. Dat de schriftelijke verklaring er mogelijk toe strekte later een mondeling verzoek te willen doen, is een uitleg waartoe in mijn ogen niet ‘met inachtneming van de omstandigheden’ kan worden gekomen. Ik acht de hier besproken overweging van het Centraal College over de uitleg van de wilsverklaring, weinig overtuigend en niet in lijn met de bedoeling van de wetgever. Daarom concludeer ik dat het oordeel van het Centraal Tuchtcollege, dat de schriftelijke verklaringen van patiënte, opgesteld toen zij nog wilsbekwaam was, onvoldoende duidelijk zijn om te voldoen aan de eisen van artikel 2 lid 1 aanhef Pro en onder a Wtl, niet begrijpelijk is. (H5)