Conclusie
Nummer 18/02505
eerstemiddel ziet op de veroordeling wegens het onder 1 bewezenverklaarde. Alvorens het middel te bespreken geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, delen uit de verklaring die de verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, het gevoerde verweer en de overweging die het hof aan dat verweer heeft gewijd weer. Tevens ga ik in op enkele elementen uit de wetsgeschiedenis van de strafbaarstelling van (kort gezegd) het verlaten van de plaats van het ongeval.
Bewezenverklaring; bewijsmiddelen; verklaring verdachte; verweer; overweging
Sl. stond weer op de benen.Het was immers haar
eersteschooldag en je kan het een kind van 4 [vier] jaar niet aandoen om er niet te zijn na de eerste schooldag. Cliënte heeft dus een afweging gemaakt. Cliënte is niet gevlucht maar heeft daartoe de op haar naam staande auto in het bijzijn van getuige(n) één meter verder dan waar het ongeluk plaats vond in een parkeerhaven geparkeerd en heeft vervolgens haar dochter van school opgehaald en is daarna vrijwel direct naar de plaats van het ongeluk teruggekeerd. Cliënte heeft derhalve haar op haar naam staande auto ter identificatie van haarzelf in de onmiddellijke nabijheid van het ongeluk achter gelaten. Deze actie van cliënte dient beschouwd te worden als het achterlaten van een visitekaartje achter de ruitenwisser bij een ongeluk, waar bijvoorbeeld twee auto’s betrokken zijn. Cliënte is derhalve niet vertrokken zonder haar identiteit kenbaar te maken en zij is onmiddellijk na het ophalen van haar dochter van school naar het ongeluk teruggekeerd. Tijdens het teruglopen naar de plaats van het ongeluk werd zij gebeld door de politie ! (…). Nu vaststaat dat de politie zelf cliënte gebeld heeft (derhalve kennelijk via het kenteken en de verzekeringsmaatschappij achter het telefoonnummer van cliënte is gekomen) en cliënte in een mum van tijd daar was (…) staat vast dat cliënte aan art 7.2 WVW derhalve aan haar identificatie verplichting heeft voldaan.
Elementen uit de wetsgeschiedenis van art. 7 WVW Pro 1994
avan het eerste lid bedoelde geval is strafvervolging uitgesloten tegen den dader, die binnen vier en twintig uren na het ongeval daarvan kennis geeft aan een der in art. 34 genoemde Pro ambtenaren of beambten en daarbij tevens de voor de vaststelling van de in eerstgenoemde bepaling bedoelde identiteit van het motorrijtuig, van zijn persoon en van dengene, die tijdens het ongeval het rijtuig bestuurde, vereischte opgaven verstrekt.’ [3]
aof
bnader omschreven feiten pleegt. Het ongeval moet het onder
aof
baangeduide gevolg hebben gehad en de dader moet zich daarvan in meerdere of mindere mate bewust zijn geweest. Dit laatste vereischte vloeit uit de omschrijving van het delict voort. Verder is voor de strafbaarheid onder
avereischt, dat de bestuurder na het ongeval doorrijdt of wegrijdt, terwijl deze het oogmerk moet hebben gehad om de vaststelling van de onder
abedoelde identiteit te beletten, d.w.z. de identiteit hetzij van het motorrijtuig, hetzij van zijn persoon of dengene, die tijdens het ongeval het rijtuig bestuurde.
a, te vrijwaren, weshalve een bepaling van die strekking als tweede lid aan het artikel is toegevoegd.’
avan het eerste lid van dit artikel te schrappen de woorden: „met het oogmerk om het vaststellen van de indentiteit, hetzij van het motorrijtuig, hetzij van zijn persoon of van dengene, die tijdens het ongeval het rijtuig bestuurde, te beletten”. Immers dit oogmerk zal zelden kunnen worden bewezen.’
a, is uitgesloten tegen den in dat lid bedoelden bestuurder, die binnen vier en twintig uren na het ongeval, voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig van het ongeval kennis geeft aan een der bij artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen en daarbij tevens de opgaven doet, vereischt voor de vaststelling van de identiteit van zijn persoon, en, voor wat betreft den bestuurder van een motorrijtuig, van het motorrijtuig en van dengene, die tijdens het ongeval het rijtuig bestuurde.’
Eerste lid. Uitbreiding tot bestuurders van rijwielen en van andere rij- of voertuigen ligt in de rede. Ook dezen moeten niet straffeloos kunnen doorrijden indien zij een ongeval hebben veroorzaakt als onder
aof
bbedoeld.
doordat motorrijtuig, rijwiel of andere rij- of voertuig.
aheeft gehandeld, binnen 24 uren wordt gearresteerd en bij zijn verhoor de in het tweede lid bedoelde opgaven verstrekt, vrij zou uitgaan.’
V.
Eerste lid. Eenige leden zouden onder
a. in den derden regel van onderen het woordje ,,of” vervangen willen zien door ,,en”. Zij achtten het niet voldoende, indien alleen de identiteit van het motorrijtuig kan worden vastgesteld.
Artikel 6
Artikel 173
Artikel 7
Het eerste middel
Het tweede middel
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof het beroep van de verdachte op de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 184 WVW Pro 1994 op ontoereikende gronden heeft verworpen. Daarbij wordt een beroep gedaan op de feiten en omstandigheden die ook zijn aangevoerd in de toelichting op het eerste middel.