Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
Waterschap Zeeuws-Vlaanderenen de parlementaire geschiedenis van artikel 15(4) Wet OB. [5]
Lennartzen
Gmina Ryjewo, het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, nr. 10/00275 en een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 juli 2018. Ook wijst hij op verschillen tussen de voorliggende zaak en de zaken die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad die de Staatssecretaris aanvoert. [6] De Staatssecretaris heeft geen aanleiding gezien een conclusie van repliek in te dienen.
Stichting Schoonzicht(zaak C-791/18, rolnummer bij de Hoge Raad 17/00799) voor deze zaak van grote betekenis zal zijn. In die zaak is aan de orde of artikel 15(4)(2e volzin) Wet OB buiten toepassing moet blijven voor een investeringsgoed, zodat de belanghebbende haar genoten aftrek van voorbelasting conform de bestemming gespreid over tien jaar mag terugbetalen. In deze zaak wenst belanghebbende juist toepassing van de herzieningsregeling van artikel 15(4) Wet OB. Daarom wacht ik niet op het arrest van het HvJ met het nemen van conclusie in deze zaak.
acte clairof
acte éclairéen artikel 15(4) Wet OB ruimte biedt voor een richtlijnconforme uitleg. Daarom geef ik de Hoge Raad in overweging het HvJ de prejudiciële vraag voor te leggen of herstel van fouten bij de uitoefening van het recht op aftrek via de herzieningsregeling moet worden toegestaan.
2.Ontstaan, uitoefenen en herzien van de aftrek conform de Btw-richtlijn
Ontstaan en uitoefenen van het recht op aftrek
Biosafe [10] :
Ad artikel 20 – Herziening van de aftrek
indien blijkt dat zij ten tijde van de aangifte niet op de juiste wijze werd uitgevoerdof indien de oorspronkelijke situatie een wijziging heeft ondergaan door een latere gebeurtenis. Gelet op de financiële gevolgen van een herziening van de aftrek is het noodzakelijk voor dit gebied gemeenschappelijke regels uit te vaardigen.
hetzij door een vergissing, hetzij als gevolg van een te hoge of te lage schatting van het percentage van de aftrek dat op de belaste activiteiten wordt toegepast (…)
Artikel 20
SEB Bankas [13] . Dit arrest gaat over een geval waarin een belastingplichtige ten onrechte op een factuur vermelde btw in aftrek heeft gebracht (hetgeen hij uiteraard nooit had mogen doen):
FED2018/104 terecht opgemerkt dat het HvJ eerder, in de arresten in de zaak
Genius Holding [14] en
Schmeink/Ströbel [15] , al precies hetzelfde heeft beslist. In wezen heeft het HvJ op dit punt in
SEB Bankasdaarom een
acte éclairéuitgeschreven. Het antwoord op de vraag wanneer en in welk tijdvak de herziening dient plaats te vinden, laat het HvJ in
SEB Bankasaan de lidstaten:
SEB Bankasevenwel nog betoogd dat de herziening van artikel 184 Btw Pro-richtlijn niet ertoe strekt verkeerde beoordelingen van
het bestaanvan het recht op aftrek recht te zetten. De herzieningsregeling is zijns inziens slechts bedoeld als correctiemechanisme voor inadequate beoordelingen van
de omvangvan de aftrek. Dit betoog heeft het HvJ dus niet gevolgd. Opmerking verdient wel dat andere zaken een genuanceerder beeld lijken te geven, in de zin dat het HvJ voor de herziening mogelijk wel als voorwaarde stelt dat de omstandigheden zijn gewijzigd na het moment van uitoefenen van het recht op aftrek. Zie bijvoorbeeld
Mydibel(onderstreping CE): [17]
Met betrekking tot de gevolgen die voor de door een belastingplichtige afgetrokken btw eventueel voortvloeien uit ná deze aftrek plaatshebbende gebeurtenissen, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik van de goederen of diensten bepalend is voor de omvang van de aanvankelijke aftrek waarop de belastingplichtige recht heeft en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende perioden (zie arrest van 31 mei 2018, Kollroß en Wirtl, C‑660/16 en C‑661/16, EU:C:2018:372, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
SEB Bankas, en uit
Genius Holdingen
Schmeink/Ströbel, in algemene zin mag worden afgeleid dat artikel 184 Btw Pro-richtlijn mede strekt tot herstel van fouten in de uitoefening van het aftrekrecht. Daarvoor pleit het algemeen geformuleerde punt 33 uit
SEB Bankas, waarin is vermeld dat de bewoordingen van artikel 184 a priori geen enkel geval van onterechte aftrek uitsluiten (hoewel daarmee natuurlijk nog niet is gezegd dat elk geval van onterechte aftrek wordt ingesloten). Daartegen pleit dat
SEB Bankas, en ook
Genius Holdingen
Schmeink/Ströbel, gaan over het nogal specifieke geval van een belastingplichtige die ten onrechte aan hem gefactureerde btw in aftrek heeft gebracht. Mogelijk ziet de uitleg van het HvJ alleen op (bepaalde) gevallen waarin het aftrekrecht ten onrechte of tot een te hoog bedrag is uitgeoefend.
Genius Holding,
Schmeink/Ströbelen
SEB Bankassystematisch bezien weinig elegant is; als nooit een recht op aftrek heeft bestaan, zou correctie van genoten aftrek toch ook zonder herzieningsregeling mogelijk moeten zijn, door naheffing? Toestaan van een correctie via de herzieningsregeling leidt per slot van rekening vooral tot verlenging van de termijn waarbinnen het mogelijk is de correctie door te voeren.
Stichting Schoonzicht(C-791/18) heeft de Hoge Raad onder meer aan de orde gesteld of de algemene regeling van artikel 184 en Pro 185 Btw-richtlijn ook voor investeringsgoederen geldt of dat daarvoor alleen de specifieke regeling van artikel 187 en Pro 188 van toepassing is (zie ook onderdeel 1.8). [18] Als het antwoord is dat voor investeringsgoederen slechts herziening van de aftrek mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 187 en Pro 188, dan is foutherstel via de herziening sowieso uitgesloten. Zie in dit verband de volgende overwegingen uit
SEB Bankaswaarin het HvJ eerdere jurisprudentie bevestigt, dat voor herziening op grond van die bepalingen na het tijdvak van aftrek wel een wijziging van omstandigheden is vereist:
acte clairof
acte éclairéof belanghebbende op grond van de Btw-richtlijn via de herzieningsregeling alsnog aanspraak moet kunnen maken op zijn aanvankelijk ten onrechte niet uitgeoefende recht op aftrek. De arresten van het HvJ die partijen in hun cassatieschrifturen opvoeren (zie de onderdelen 1.6 en 1.7 van deze conclusie), nemen die twijfel ook niet weg.
Lennartz [19] en
Waterschap Zeeuws-Vlaanderen [20] , ten eerste, heeft het HvJ beslist dat de herzieningsregeling niet alsnog een recht op aftrek kan geven dat aanvankelijk niet is ontstaan. Als bijvoorbeeld een goed aanvankelijk volledig is bestemd voor privédoeleinden of overheidswerkzaamheden, geeft een later gebruik voor economische doeleinden geen aanspraak op herziening. Deze zaak betreft een andere casus, omdat feitelijk vaststaat dat het recht op aftrek in 2006 is ontstaan. Het arrest
Gmina Ryjewo [21] , ten tweede, geeft – voor zover hier van belang – vooral antwoord op de vraag of een aftrekrecht kan ontstaan als een belastingplichtige overheid (in dat geval een gemeente) een goed (in dat geval een dorpshuis) weliswaar niet als overheid heeft aangeschaft, maar ook niet direct voor belaste handelingen gebruikt (en dus mogelijk zelfs aanvankelijk voor overheidsdoeleinden bezigt). Dat herziening in beginsel mogelijk zou zijn bij een bevestigend antwoord, dat het HvJ inderdaad heeft gegeven, was op basis van
Lennartzop voorhand al wel duidelijk, temeer de juistheid van de aanvankelijk door de gemeente toegepaste aftrek van nihil niet ter discussie stond
. [22] Ook in
Gmina Ryjewoheeft het HvJ daarom geen antwoord gegeven op de vraag of ook herziening mogelijk is als het recht op aftrek weliswaar is ontstaan, maar door een fout van de belastingplichtige niet onmiddellijk juist is uitgeoefend.
Gmina Ryjewo-achige situatie, waarin weliswaar een volledig aftrekrecht bleek te zijn ontstaan voor de gemeente, maar dat van meet af aan slechts gedeeltelijk kon worden uitgeoefend vanwege gebruik mede voor niet-economische doeleinden. In die context heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar onder meer
Gmina Ryjewo, herziening in de zin van artikel 187 Btw Pro-richtlijn mogelijk geacht. Artikel 184 Btw Pro-richtlijn speelde geen rol.
3.Het uitoefenen en herzien van het recht op aftrek op grond van de Wet OB
Uitoefenen van het recht op aftrek
Indien op het tijdstip waarop de ondernemer goederen en diensten gaat gebruiken, blijkt, dat de belasting ter zake voor een groter of kleiner gedeelte in aftrek is gebracht dan waartoe de ondernemer op grond van het gebruik is gerechtigd, wordt hij de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd.De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van artikel 14 voldaan Pro.
De te weinig afgetrokken belasting wordt aan hem op zijn verzoek teruggegeven.”
BNB2011/32 (met noot van mijn hand). De herzieningsregeling is er niet om fouten te herstellen, maar enkel om de aftrek aan te passen aan gewijzigde omstandigheden. Evenmin kan een op basis van de bestemming ten onrechte genoten aftrek via herziening worden gecorrigeerd. Die onjuiste aftrek kan enkel worden teruggenomen via naheffing over het tijdvak waarin de aftrek is genoten. Er is in dergelijke gevallen immers geen sprake van een wijziging in de elementen die voor het bepalen van de aftrek in aanmerking zijn genomen. Uit de onderhavige procedure blijkt dat een (andere) keuze omtrent de vermogensetikettering volgens de Hoge Raad wel als een dergelijke gewijzigde omstandigheid kwalificeert. De keuze inzake de vermogensetikettering kan volgens de Hoge Raad nog worden gemaakt bij de aangifte over het tijdvak waarin het desbetreffende goed in gebruik wordt genomen.
BNB2011/32* niet door middel van herziening kan worden hersteld. In feite lijkt het dus te gaan om een heroverweging van de keuze. De door de Hoge Raad gebezigde woorden dat de keuze nog kan worden gemaakt bij de aangifte over het tijdvak waarin het goed in gebruik wordt genomen, doet vermoeden dat de Hoge Raad geen heroverweging heeft bedoeld, maar dat enkel het laatste tijdstip voor de keuze is aangegeven. Gelet op het feit dat het eerdere afzien van aftrek feitelijk ook een keuze is geweest, zie ik twee keuzemomenten. Dat past mijns inziens ook bij het systeem van BTW-aftrek. Als het mogelijk is een goed te bestemmen voor activiteiten waarvoor geen BTW-aftrek bestaat om dat goed vervolgens in gebruik te nemen voor activiteiten waarvoor wel BTW-aftrek bestaat, of andersom, moet het ook mogelijk zijn de etikettering aan te passen. Maar dan kennelijk wel uiterlijk op het moment van ingebruikneming, of ook nog op een later moment? Als wij de etikettering zien als een voor de aftrek in aanmerking te nemen element, zou het toch ook mogelijk moeten zijn nogmaals de keuze te herzien aan het einde van het boekjaar waarin de ingebruikneming heeft plaatsgevonden.”