Conclusie
Het namens de verdachte voorgestelde middel
middelklaagt over de verwerping door het Hof van een met betrekking tot feit 2 gevoerd verweer.
Gebeurtenissen 6 september 2014 en de ramkraak
Telefoonverkeer
ramkraak. Uit de hiervoor onder 4.3 weergegeven bewijsoverweging blijkt dat “de frequente telefonische contacten tussen de vijf verdachten” in het algemeen (bewijsmiddel 45) en het in de periode rond de ramkraak op verschillende tijdstippen, waaronder tijdens een voorobservatie in een winkel in Sliedrecht op 9 september 2014 (bewijsmiddel 46), in elkaars aanwezigheid gesignaleerd worden, omstandigheden vormen die ten grondslag liggen aan het oordeel dat de mannen op de camerabeelden van 6 september 2014 de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn. Beide bewijsmiddelen zijn in de aanvulling op het verkorte vonnis opgenomen onder het hoofdje “groep”, en zijn zo bezien redengevend voor de vaststelling dat de verdachte in de periode rond de ramkraak samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] (en [medeverdachte 3] ) deel uitmaakte van een groep. Het algemene gegeven van “de frequente telefonische contacten tussen de vijf verdachten” (en het in de periode rond de ramkraak in elkaars aanwezigheid gesignaleerd worden) wordt in de bewijsoverweging ook niet aangehaald bij het bewijs dat in algemene zin zou bijdragen aan de overtuiging dat de daders van de ramkraak dezelfde personen zijn als de personen die op 6 september 2014 de voorverkenning hebben uitgevoerd [1] . Dat bewijs is o.m. gelegen in de volgende vaststellingen: de nagenoeg identieke route die is afgelegd door de verdachten tijdens de voorverkenning en de daders van de ramkraak, bij de ramkraak voornamelijk kleding is weggenomen waar de verdachten tijdens de voorverkenning specifiek aandacht aan besteedden, door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over ramkraken is gesproken en getuige [getuige 2] heeft verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte 2] haar heeft verteld dat de bij de voorverkenning betrokken personen, samen met een vijfde jongen (in begrijp: medeverdachte [medeverdachte 3] ), nadien met een auto de winkel waren binnengereden en kleding hadden meegenomen. Dat de verdachte één van de daders van de ramkraak op [A] is geweest wordt blijkens de bewijsoverweging in het bijzonder afgeleid uit de omstandigheid dat de verdachte tijdens de voorverkenning een donkere trainingsbroek met daarop een verticale witte streep lopend vanaf de knie naar de onderkant van de broekspijp draagt en één van de daders van de ramkraak zo’n zelfde soort broek draagt.