Conclusie
€ 24 .902,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.912,00.
eerste middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het beginsaldo van de kasopstelling.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .
derde middelbehelst twee klachten. Allereerst bevat het de klacht dat de verwerping van het verweer dat de nota van [B] niet in de kasopstelling dient te worden betrokken, onjuist en onbegrijpelijk is. Uit de toelichting op het middel volgt dat het ook is gericht tegen de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek om [betrokkene 5] als getuige te horen. Deze beslissing is volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd.
vierde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 7] en [betrokkene 8] .