Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
niet eerderdan de datum waarop zijn advocaat op de aanvullende wettelijke aantekeningen zou hebben gereageerd, een beslissing hoefde te nemen. Aldus faalt het onderdeel bij gebrek aan belang.
niet heeft verzochtom de instelling op te dragen de door hem gewenste aanvullende stukken direct over te leggen. Het onderdeel verwijst in ieder geval niet naar een vindplaats in het proces-verbaal van de zitting waar een dergelijk verzoek is gedaan. Nu moet worden aangenomen dat de advocaat van betrokkene niet heeft verzocht om de door hem verlangde stukken direct over te leggen, zodat hij daarop ook ter zitting kon reageren, kan naar mijn mening niet (meer) beslissend zijn of de geneesheer-directeur en/of de officier van justitie (wellicht) in gebreke zijn gebleven om die stukken in een eerder stadium over te leggen.
bewustvoor heeft gekozen om
geenontslagverzoek in te dienen. Het proces-verbaal vermeldt in dat verband het volgende:
De voorzitter: u heeft geen ontslag gevraagd aan de geneeskundig directeur?
welbewustafgezien. Het onderdeel dient mijns inziens reeds daarom te falen.
met het oog op de op 31 mei 2017 geplande zittingheeft verlaten valt geen steun te vinden in de processtukken. Integendeel, uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 augustus 2018 kan worden afgeleid dat betrokkene op de locatie Boschoord veel het hazenpad heeft gekozen en dat de aard van zijn problematiek meebrengt dat hij bij de geringste druk vluchtgedrag vertoont. Het hof heeft vervolgens in rov. 5.6 overwogen dat ook de aanhouding van de beslissing in de periode van 15 juni 2017 (de dag van de voortgezette behandeling) tot en met 26 juni 2017 (de dag waarop de advocaat van betrokkene heeft gereageerd op de door de instelling overgelegde aanvullende stukken waarom de advocaat had verzocht) in de risicosfeer van betrokkene ligt. De tegen deze oordelen gerichte klachten falen, zo blijkt uit het bovenstaande. Over het antwoord op de vraag of de termijn tussen 26 juni 2017 en 13 juli 2017, de datum waarop de machtiging is verleend, aangemerkt kan worden als een redelijke termijn, kan verschillend worden gedacht. Het oordeel van het hof dat het op 13 juli 2017 nemen van een beslissing
in de gegeven omstandighedenvoldoende spoedig is, is een feitelijk oordeel. Het hof heeft daarbij in ogenschouw genomen het gegeven dat de rechtbank “daarover het overleg heeft gezocht met de advocaat van betrokkene”. Tegen laatstgenoemd oordeel, waarvoor steun kan worden gevonden in de processtukken, wordt in cassatie geen klacht gericht. Reeds gelet daarop acht ik het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk.