De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het verlaten van de plaats van een verkeersongeval waarbij schade was toegebracht. Centrale bewijsvoering betrof een proces-verbaal met verklaringen van een anonieme buurtbewoonster, die niet als bewijs had mogen worden gebruikt omdat de verdediging had verzocht deze getuige te horen.
De verdediging stelde dat het gebruik van deze anonieme verklaring in strijd was met artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering en dat het hof ten onrechte geen beslissing had genomen op het verzoek tot het horen van deze getuige. De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het proces-verbaal met de anonieme verklaring niet als bewijs had mogen worden gebruikt, er voldoende ander wettig en overtuigend bewijs was om de veroordeling te handhaven.
Het hof had vastgesteld dat de verdachte de bestuurder was op basis van getuigenverklaringen, het kenteken, het adres van de eigenaar en het tijdsverloop tussen het ongeval en het aantreffen van het voertuig. Het cassatieberoep werd verworpen omdat de vermeende schending van artikel 344a Sv niet leidde tot vernietiging van het arrest.
De Hoge Raad bevestigde dat een schriftelijk bescheid met een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, slechts onder strikte voorwaarden als bewijs mag worden gebruikt. De verdediging had de wens kenbaar gemaakt om de anonieme getuige te horen, waardoor het gebruik van deze verklaring niet was toegestaan. Desondanks was het overige bewijs voldoende voor een veroordeling.
Het beroep werd uiteindelijk verworpen zonder dat het arrest werd vernietigd, waarmee de veroordeling voor doorrijden na een ongeval in stand bleef.