Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 5.4 en de eerste volzin van rechtsoverweging 5.5. Ik citeer die overwegingen en voeg cursiveringen toe overeenkomstig de procesinleiding onder 3.2 (kennelijk richten de klachten van het eerste onderdeel zich in het bijzonder tegen de gecursiveerde passages):
ondubbelzinnig te blijken. Anders gezegd, is vereist dat partijen in de gegeven omstandigheden gelet op elkaars over en weer gedane verklaringen en gedragingen redelijkerwijs moesten begrijpen dat vrijwillig en
ondubbelzinnigvoor een bindend adviestraject, met uitsluiting van de overheidsrechter, werd gekozen.
(ook) ten aanzien van de onderhavige rechts-personen[
onderstreping hof] sprake is van een
ondubbelzinnigeen vrijwillig aangegane bindend adviesovereenkomst waarmee afstand is gedaan van de overheidsrechter.’
stilzwijgendeafstand mogelijk is (het onderdeel onder 3.4).
vrijwillig en ondubbelzinniggeschieden. [2] Dat betekent niet dat de wilsvertrouwensleer, volgens welke het aankomt op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs moesten begrijpen en konden verwachten, toepassing zou missen, maar dat bij de toepassing van die leer een voorzichtigheidsmarge geldt. Alleen ondubbelzinnige aanknopingspunten voor een afstand van toegang tot de overheidsrechter zijn voldoende voor het oordeel dat de wederpartij die afstand mocht begrijpen en verwachten.
moet blijken, is een alternatieve formulering voor mijns inziens geheel dezelfde maatstaf. De klacht probeert vergeefs het criterium van ondubbelzinnigheid en de wilsvertrouwensleer tegen elkaar uit te spelen. Het hof heeft in de laatste volzin van rechtsoverweging 5.4 beide op juiste wijze met elkaar verbonden.
tweede onderdeelricht zich tegen rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5. Hiervoor onder 3.2 citeerde ik reeds rechtsoverweging 5.4 en de eerste volzin van rechtsoverweging 5.5. Rechtsoverweging 5.5 luidt voor het overige als volgt:
welkefeiten het hof zou hebben miskend, maar niet
waarom. Evident lijkt mij dit laatste allerminst. Een ruime exoneratie dient het belang van de bindend adviseur en impliceert nog niet een ruime opdracht om bindend te adviseren. En de beslechting van een geschil tussen bepaalde partijen met betrekking tot bepaalde projecten, omvat allerminst vanzelfsprekend geschilbeslechting met betrekking tot dezelfde projecten tussen
anderepartijen.
anderevennootschappen, die bij dezelfde projecten betrokken waren, (ook) bindend advies zijn overeengekomen. Daarbij is niet de vraag of een andere uitleg mogelijk is van hetgeen is overeengekomen, en van wat in dat verband ‘ondubbelzinnig’ is, dan die het hof heeft gegeven. De uitleg van overeenkomsten behoort immers tot het domein van de rechter die over de feiten oordeelt.
derde onderdeel, geformuleerd in de procesinleiding onder 3.23, betreft een veegklacht, die geen bespreking behoeft.