ECLI:NL:PHR:2019:210

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2019
Publicatiedatum
6 maart 2019
Zaaknummer
18/01238
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens verduistering door schipper in dienstbetrekking

De zaak betreft een verdachte die als schipper op een duwtankcombinatie grote hoeveelheden minerale olie vervoerde. Hij werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van verduistering door heimelijk olie over te pompen naar een tankauto die op bepaalde plaatsen langs het water klaarstond. De verdachte speelde een initiërende rol en ontving een vergoeding voor de verduisterde olie.

De bewezenverklaring omvatte meerdere momenten tussen augustus 2012 en oktober 2013, waaronder een reis van Antwerpen naar Gent waarbij een fors tekort van ruim 9.600 liter olie werd vastgesteld. Telefonisch contact tussen verdachte en medeverdachte voorafgaand aan het overpompen en verklaringen over de afspraken bevestigen de betrokkenheid van de verdachte.

Het hof motiveerde dat de verdachte de olie uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had en dat sprake was van verduistering. De verdediging voerde aan dat de bewijsvoering ontoereikend was, maar de Hoge Raad achtte de klachten niet ontvankelijk op grond van art. 80a RO en verwierp het cassatieberoep.

De uitspraak bevestigt dat schippers die olie vervoeren niet als eigenaar van de lading worden beschouwd en dat het heimelijk overpompen zonder toestemming een strafbare verduistering oplevert. Het vonnis van het hof met gevangenisstraf en taakstraf blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling voor medeplegen van verduistering blijft in stand.

Conclusie

Nr. 18/01238
Zitting: 12 maart 2019
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 14 november 2017 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank, waarbij de verdachte is veroordeeld voor subsidiair “medeplegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd” bevestigd, met aanvulling en verbetering van gronden, en aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 104 dagen gevangenisstraf alsmede een taakstraf voor de duur van 50 weken, subsidiair 25 dagen hechtenis, opgelegd.
Er bestaat samenhang met de zaken 18/00512, 18/01195, 18/02767 en 18/02770. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.
Blijkens de bewezenverklaring, ’s hofs bewijsvoering en de strafmotivering, draait het in deze zaak om het volgende. De verdachte is als schipper werkzaam op een duwtankcombinatie die minerale olie vervoert. Als de verdachte een lading (deels) ‘kwijt kan’, attendeert hij medeverdachten daarop; in die zin heeft de verdachte een initiërende rol vervuld. Medeverdachten staan met een tankauto op bepaalde plekken langs het water klaar om de lading olie in ontvangst te nemen. De verdachte legt aan en de olie wordt heimelijk overgepompt in de tankauto. Vervolgens wordt de olie voor een gunstige prijs verkocht aan bedrijven. De verdachte ontvangt hiervoor een vergoeding van een van de medeverdachten.
Het
middelkomt op tegen de bewezenverklaring en klaagt dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich op de bedoelde tijdstippen schuldig heeft gemaakt aan verduistering van vervoerde olie en evenmin dat de verdachte de olie uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard (ingekort gezegd) dat hij op tijdstippen in de periode van 17 augustus 2012 tot en met 15 oktober 2013 te Amsterdam, Houten en Antwerpen tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens opzettelijk een (grote) hoeveelheid olie die hij (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van vervoerder (schipper) onder zich had, heeft verduisterd.
De toelichting op het middel richt het vizier voornamelijk op een reis van de duwtankcombinatie op 21 – 23 september 2013 van de laadplaats Antwerpen naar de losplaats Gent.
Wat die reis betreft, is blijkens bewijsmiddel 2 vastgesteld dat bij het uitlossen sprake was van een “zeer fors tekort” van 9604 liter op het ladinggeheel. De tankwagen, die door een van de medeverdachten werd gereden, is op 21 september tweemaal op zijn totaalgewicht gemeten (om 03:48 uur op locatie Moerdijk en om 06:16 uur op locatie Dordrecht) en de desbetreffende gegevens laten een groot verschil zien, namelijk van ongeveer 7.500 kilogram (b.m. 8). Van belang is voorts dat de verdachte en een medeverdachte op 20 september 2013 (om 20:12 uur) telefonisch contact hebben gehad en dat de verdachte daarbij vroeg of de volgende ochtend half zes bij de Royer (waarmee hoogstwaarschijnlijk de Royersluis in het Antwerpse havengebied werd bedoeld) een goeie tijd was en dat de medeverdachte daarop antwoordde dat dit goed, top, was (b.m. 4 en 5). Tot slot wijs ik op de algemene verklaring van de verdachte dat door de medeverdachten een locatie met de schipper werd afgesproken, waar een van de medeverdachten naar toe reed met zijn tankwagen en de slang erin gooide, waarna de schipper werd betaald en de olie vervolgens werd verkocht aan diverse afnemers (b.m. 1).
Hetgeen het hof met betrekking tot ‘Antwerpen’ heeft bewezenverklaard, volgt zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen. Dat geldt ook voor de andere momenten (7 mei 2013, Houten, respectievelijk 11-12 oktober 2013, Amsterdam) waarop verduisteringen van hoeveelheden olie hebben plaatsgevonden.
Blijkens de bewijsvoering is de verdachte de schipper geweest die in opdracht de olie vervoerde van A naar B. Zo was van de lading ‘Antwerpen’ Total België NV eigenaar, die geen recht of toestemming had verleend om te beschikken over de vervoerde lading of een deel daarvan etc. En dat schippers van binnenvaarttankers die dergelijke hoeveelheden olie vervoeren (in geval van ‘Antwerpen’ een lading van ongeveer 2,5 miljoen liter), [1] niet zelf daarvan eigenaar zijn en dergelijke hoeveelheden in opdracht van anderen (doorgaans oliemaatschappijen of daaraan verwante ondernemingen) vervoeren, mag een feit van algemene bekendheid worden genoemd dat geen bewijs behoeft. Het impliciete oordeel van het hof dat hier sprake is verduistering van een goed dat de verdachte uit persoonlijke dienstbetrekking van/als vervoerder onder zich had, is dan ook toereikend gemotiveerd.
11. Ik meen dat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en dat gezien art. 80a RO het cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
12. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.En wat betreft ‘Houten’ en ‘Amsterdam’ telkens “een volle zwarte”(b.m. 14 en 17).