Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
een afschrift te verstrekken aan [de werknemer] van het rapport dat door de heer [getuige 5] schriftelijk werd verstrekt aan [getuige 7] eind januari 2012 en waarover [getuige 7] als getuige heeft verklaard in deze procedure op 8 januari 2014”. [16]
voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling”. [24] Eén van de raadsheren die het arrest heeft gewezen is als raadsheer-commissaris benoemd.
- de vordering in het art. 843a Rv-incident wordt afgewezen;
- in het principaal appel wordt het vonnis van de kantonrechter van 18 juni 2015 vernietigd en worden de vorderingen van [de werknemer] alsnog afgewezen;
- [de werknemer] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan VU van een bedrag van € 104.571,-
- [de werknemer] wordt veroordeeld tot betaling van rente aan VU over het door VU op de rekening van de Stichting gestorte bedrag;
- [de werknemer] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan VU van de in eerste aanleg opgelegde proceskostenveroordeling ad € 3.310,57, vermeerderd met de wettelijke rente;
- het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep wordt verworpen;
- [de werknemer] wordt zowel in het principaal als in het incidenteel appel in de proceskosten veroordeeld.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
FNV/Pontmeijergeoordeeld dat aan de hiervoor vermelde regel niet afdoet dat partijen – in een dagvaardingszaak – na de comparitie alsnog om pleidooi kunnen vragen. [26] Uit het enkele feit dat niet om pleidooi is verzocht, kan namelijk niet worden afgeleid dat een partij alsnog na de comparitie afstand heeft gedaan van het haar toekomende recht om bij de comparitie haar stellingen toe te lichten ten overstaan van de raadsheren die de beslissing zouden nemen, aldus de Hoge Raad (rov. 4.1.7).
FNV/Pontmeijerkan immers worden afgeleid dat het erom gaat of partijen
afstand hebben gedaanvan hun recht om hun stellingen ter comparitie toe te lichten ten overstaan van de meervoudige kamer. Dat daarvan sprake is geweest, kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat met partijen uitdrukkelijk is besproken of zij pleidooi wensten en dat zij daarvan toen hebben afgezien. Ook overigens blijkt niet dat partijen afstand hebben gedaan van hun recht om hun stellingen ter comparitie toe te lichten ten overstaan van de meervoudige kamer.
- [de werknemer] is (bijna) 26 jaar in dienst geweest;
- [de werknemer] was hoofdkostwinner en ouder dan 50 jaar. Hij had studerende kinderen en de verzekeringsmarkt was ingestort. Hij had met zijn (zeer) eenzijdige werkervaring geen vooruitzichten op een andere baan;
- Er was voor [de werknemer] tot augustus 2010 geen enkele reden voor ontevredenheid. Daarna begon (wat [de werknemer] betreft) een door VU ingezet traject dat leidde tot ongeoorloofde (werk)druk en de vaststelling bij [de werknemer] zelf dat hij geen energie meer had om de strijd steeds opnieuw aan te gaan, waardoor hij geen andere weg zag dan maar een voorstel te doen tot een regeling inzake beëindiging van zijn dienstverband;
- Met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst ziet een werknemer af van hem toekomende contractuele en/of wettelijke rechten. In dit geval is een vaststellingsovereenkomst tussen [de werknemer] en VU gesloten (door [de werknemer] ondertekend op 17 februari 2012 en door VU op 1 maart februari 2012), die ten gevolge heeft dat de arbeidsovereenkomst tussen VU en [de werknemer] eindigt op 1 juli 2012 zonder beëindigingsvergoeding (met vrijstelling van de verplichting tot het verrichten van werkzaamheden vanaf 1 maart 2012);
- Aan [de werknemer] is niet (alsnog) een beëindigingsvergoeding aangeboden nadat de Ondernemingsraad positief heeft geadviseerd over de door VU (op 2 april 2012) bij de Ondernemingsraad ingediende adviesaanvraag in verband met de voorgenomen beëindiging van haar bedrijfsactiviteiten waarbij op alle adviseurs een beëindigingsregeling van toepassing werd verklaard, die onder meer inhield een beëindigingsvergoeding op basis van de oude kantonrechtersformule met correctie factor 1;
- De door [de werknemer] geschetste ontwikkelingen hebben gemaakt dat hij zich uiteindelijk gedwongen voelde om akkoord te gaan met de beëindigingsovereenkomst, zelfs zonder beëindigingsvergoeding;
- VU heeft in eerste aanleg een aantal gecensureerde sheets overgelegd die de heer [getuige 5] op 1 februari 2012 heeft gebruikt bij een door hem gehouden presentatie aan de door VU opgerichte Stuurgroep. Geen van de op de sheets vermelde en op de vergadering van 1 februari 2012 besproken scenario’s lijkt te voorzien in het behoud van de buitendienstmedewerkers, waaruit de kantonrechter heeft afgeleid dat in de vergadering van de Stuurgroep de besluitvorming hoe dan ook koerste op afscheid van de buitendienst waaraan niet kan afdoen dat het uiteindelijk besluit toch anders was dan één van deze scenario’s:
- De Ondernemingsraad heeft positief geadviseerd ten aanzien van de voorgenomen beëindiging van de bedrijfsactiviteiten die voor zover hier van belang inhield dat op alle adviseurs (nota bene: [de werknemer] verrichtte bij (de rechtsvoorgangsters van) VU laatstelijk de functie van adviseur) een beëindigingsregeling van toepassing werd verklaard, onder meer inhoudende een beëindigingsvergoeding op basis van de oude kantonrechtersformule met correctie factor 1.
een voorgenomen reorganisatie, waarover nog geen advies aan de OR was gevraagd en nog onzekerheid bestond over de precieze invulling ervan” (arrest van het hof, rov. 11.), VU aan [de werknemer] in ieder geval vóór het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst kenbaar had moeten maken dat er sprake was van een voorgenomen reorganisatie (procesinleiding onder 3.23). Om die reden kan aan het aannemen van een spreekplicht van VU niet afdoen dat, zoals het hof het in rov. 11. uitdrukt, “
een feit van algemene bekendheid is dat reorganisaties leiden tot veel onrust onder werknemers en van een werkgever reeds om die reden in beginsel niet gevergd kan worden dat hij in een (te) vroeg stadium één of meer werknemers informeert over een voorgenomen reorganisatie.” Van een “(
te) vroeg stadium” van de voorgenomen reorganisatie was immers geen sprake, althans brachten de (andere) feiten en omstandigheden mee dat dat enkele feit niet ten nadele van [de werknemer] mocht meewegen. Door dat wel te doen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Bovendien is niet voldoende begrijpelijk waarom de door het hof in rov. 11 bedoelde feiten en omstandigheden, met name het stadium waarin de reorganisatie verkeerde op het moment dat [de werknemer] de vaststellingsovereenkomst ondertekende op 17 februari 2012, per saldo zwaarder wegen/weegt dan de andere hiervoor geschetste (hypothetisch) vaststaande feiten (procesinleiding onder 3.24).
nade bijeenkomst van de stuurgroep van VU op 1 februari 2012. Tijdens die bijeenkomst is door [getuige 5] – die van 1 november 2011 tot en met 31 december 2012 als interim manager belast was met de dagelijkse leiding bij VU [28] – een presentatie gehouden, waarbij hij gebruik gemaakt heeft van een aantal sheets. [29] In deze sheets zijn drie scenario’s geschetst voor de toekomst van VU. Volgens [de werknemer] zou
in alle drie de scenario’safscheid worden genomen van de adviseurs die werkzaam waren in de loondienstorganisatie van VU (zoals [de werknemer] ). [30] [de werknemer] heeft er daarbij onder meer op gewezen dat er sterke aanwijzingen zijn (helemaal zeker is dit niet omdat alle cijfers op de sheets zijn weggelakt en [de werknemer] heeft gevorderd dat VU alsnog de volledige sheets ter inzage geeft) dat in alle drie de scenario’s sprake is van afvloeiingskosten voor de loondienstadviseurs en van sterk verminderde loonkosten ná de reorganisatie. Uit het arrest van het hof blijkt niet dat het hof deze stellingen heeft meegewogen. Ook blijkt niet dat het hof de stellingen ter zijde heeft gelaten, omdat het gestelde niet juist zou zijn. Dat het hof de sheets en de stellingen die [de werknemer] daarover heeft ingenomen geheel onbesproken heeft gelaten, is des te onbegrijpelijker omdat deze voor het oordeel van de kantonrechter juist van
doorslaggevende betekeniswaren. De kantonrechter overwoog immers dat in de vergadering van de stuurgroep op 1 februari 2012 de besluitvorming hoe dan ook koerste op afscheid van de buitendienst en heeft op die grond geoordeeld dat op 1 februari 2012 in de kring van het bestuur van VU genoegzaam bekend was dat de toekomst van VU een reorganisatie zonder de buitendienst inhield (zie rov. 2.6-2.11 van het vonnis van 18 juni 2015).
op een moment dat zij wistdat op zeer afzienbare termijn
hoe dan ookeen reorganisatie zou plaatsvinden, waarbij in alle scenario’s die in omloop waren afscheid zou worden genomen van adviseurs zoals [de werknemer] , én aan de vertrekkende adviseurs een ontslagvergoeding zou worden toegekend.
zorgplichtdie de werkgever jegens de werknemer heeft. [32] Over deze zorgplicht is niets vermeld in het arrest van het hof, zodat ik het arrest ook om die reden ontoereikend gemotiveerd acht.
eenstap in een reorganisatieproces; niet duidelijk is waarom bij de invulling van de zorgplicht van de werkgever beslissende betekenis toekomt aan de vraag of reeds advies is gevraagd aan de ondernemingsraad. [34]