Conclusie
niet verschenen
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietaf te wijzen. [24]
moetgeven aan art. 6:136 BW Pro. Een dergelijke opvatting vindt geen steun in het recht. De in het onderdeel genoemde omstandigheden kunnen hieraan niet afdoen. Ook valt niet zonder meer in te zien dat dit oordeel in het algemeen onbegrijpelijk is.
“Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel, zodat de vordering niet toewijsbaar is.”). Het betoogt dat het oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is, nu het hof niet heeft gemotiveerd op welke wijze het toepassing heeft gegeven aan het in rov. 3.4.2 geformuleerde toetsingscriterium. Het hof had tevens moeten aangeven dat het de volgende vaststaande relevante feiten bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken, respectievelijk waarom het dat heeft nagelaten:
niet voldoende aannemelijkis dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen. Die feiten zijn daarmee niet relevant, aangezien:
een gerechtvaardigd belang bij heeft om haar gelden op korte termijn terug te verkrijgen, opdat zij deze kan (her)investeren en hiermee rendement kan maken” en dat “
de kans dat de vordering kan worden geïncasseerd, steeds kleiner wordt, aangezien de verhaalbaarheid van de vordering steeds kleiner wordt.” [verweerster] heeft de spoedeisendheid van de vordering niet bestreden en heeft niets aangevoerd over een restitutierisico. Zij heeft wel het voldoende aannemelijk zijn van de vordering aan de orde gesteld met de stelling dat deze reeds is voldaan door middel van verrekening, die voortvloeit uit een tussen partijen gemaakte afspraak naar aanleiding van door [B] Holding geleden schade omdat [C] de assets een half jaar te laat zou hebben geleverd. [27]
reconventionelevorderingen, erkend dat zij in financieel zwaar weer verkeert. [28] [eiseres] heeft het bestaan van spoedeisend belang betwist. [29] [verweerster] heeft de toewijzing van de vordering bestreden en [eiseres] heeft hierop vervolgens de uitkomst in eerste instantie onderschreven. [30] Ten slotte wijst [verweerster] op de ingrijpende gevolgen van het vonnis van de Voorzieningenrechter, nu [eiseres] dit vonnis heeft aangewend om (met succes) executoriaal beslag te leggen op drie andere deelnemingen van [verweerster] en toestemming is verleend voor de executoriale verkoop (“
Als Uw College oordeelt dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven, heeft [eiseres] geen executoriale titel meer waarmee zij de beoogde uitverkoop van het bedrijf van [betrokkene 1] kan realiseren”). [31] [eiseres] heeft aangegeven bereid te zijn om de executie op te schorten - naar ik aanneem in afwachting van het bestreden arrest. [32]
andereaspecten dan de aannemelijkheid van de vordering, bestond er anders dan het onderdeel stelt, voor het hof geen noodzaak verder op het in rov. 3.4.2 geformuleerde toetsingskader in te gaan. [33] Evenmin diende het hof de onder (i)-(iv) gestelde feiten aantoonbaar bij de belangenafweging te betrekken of aan te geven waarom zij dat niet heeft gedaan. Tegen de achtergrond van dit debat is het oordeel van het hof dat een belangenafweging het oordeel dat de vordering niet voldoende aannemelijk is niet kan “overrulen”, niet onbegrijpelijk. Van een gebrekkige motivering is geen sprake, temeer nu de beslissing aangaande een belangenafweging naar haar aard een intuïtieve waardering betreft [34] en sprake is van
afwijzingvan een geldvordering. [35]
nietin de memorie van grieven aangevoerd bezwaar. Uit rov. 3.4.3 blijkt voldoende welk bezwaar tegen het vonnis gegrond wordt bevonden. Het hof heeft derhalve met voldoende precisie aangegeven op welke grond de vernietiging van het vonnis is gegrond.