Conclusie
Mr. P. Vlas
sauvegardeop [A] van toepassing verklaard. Zolang deze
sauvegardevoortduurt, kunnen schuldeisers geen executiemaatregelen treffen tegen [A] .
Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bestaat, na een inleiding, uit zeven subonderdelen. In de kern genomen stelt het onderdeel de vraag aan de orde of de onderhavige vordering van ING binnen het toepassingsbereik van art. 24 onder Pro 1 EEX-Vo valt.
Lieber/Göbelheeft het HvJEU deze maatstaf uitgewerkt en onder meer verduidelijkt wat het verschil is tussen ‘zakelijke’ en ‘persoonlijke’ rechten. [8] Uit dit arrest (en nadien gewezen rechtspraak) volgt dat het voor toepasselijkheid van (thans) art. 24 punt Pro 1 EEX-Vo vereist is dat de rechtsvordering, behoudens de (thans niet aan de orde zijnde) uitzondering voor huur en pacht van onroerende zaken, op een zakelijk recht is gebaseerd en niet op een persoonlijk recht. [9] Een zakelijk recht heeft werking heeft jegens een ieder (
erga omnes), terwijl een persoonlijk recht alleen tegenover de debiteur geldend kan worden gemaakt. De bepaling is dus niet van toepassing in het geval dat de vordering slechts met een zakelijk recht in verband staat. [10]
Onderdeel 1voert aan dat het hof op zichzelf terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat voor toepasselijkheid van art. 24 punt Pro 1 EEX-Vo nodig is dat de vordering is gebaseerd op een zakelijk recht op een onroerende zaak. Door te oordelen dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet, heeft het hof echter blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (subonderdelen 1.1, 1.2, 1.3, 1.6 en 1.7), dan wel een oordeel gegeven dat in het licht van de stellingen van ING onbegrijpelijk is (subonderdelen 1.4 en 1.5), aldus het onderdeel.
onderdeel 1terecht is voorgesteld.
Onderdeel 2bestaat na een inleiding uit vier subonderdelen en klaagt dat het hof heeft verzuimd een definitieve beslissing te geven over de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan art. 35 EEX Pro-Vo. Volgens het onderdeel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 35 EEX Pro-Vo door te oordelen dat een reële band ontbreekt tussen de gevorderde maatregelen en het hof als aangezochte rechter.