Conclusie
eerste middelklaagt dat de verwerping van het verweer dat geen sprake was van een criminele organisatie (feit 2) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende met redenen is omkleed. [1]
Art. 11a (oud) Opiumwet – thans art. 11b Opiumwet [2] – is een species van art. 140 Sr Pro. [3] Dat betekent dat voor de betekenis van de bestanddelen van art. 11a (oud) Opiumwet aansluiting kan worden gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot art. 140 Sr Pro.
Voor een bewezenverklaring van “een organisatie” als bedoeld in art. 11a (oud) Opiumwet is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. [4] Deze organisatie dient het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, Opiumwet tot oogmerk te hebben. [5] Van deelneming aan een organisatie is sprake wanneer de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, of ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. criminele oogmerk van de organisatie. [6]
tweede middelwordt geklaagd dat de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad zijn gezonden, zodat de redelijke termijn is geschonden.