ECLI:NL:PHR:2019:319

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2019
Publicatiedatum
2 april 2019
Zaaknummer
18/01020
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen schriftuur in witwaszaak

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens witwassen, meermalen gepleegd, tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijk gestelde termijn een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend bij de Hoge Raad.

De aanzegging van het cassatieberoep is rechtsgeldig betekend aan een huisgenoot van de verdachte op zijn BRP-adres, waarbij is voldaan aan de BRP-controle. Het adres in de cassatieakte komt overeen met het BRP-adres van de verdachte. Er is geen bewijs dat een raadsman zich heeft gesteld namens de verdachte.

Op grond hiervan is het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv niet nageleefd, waardoor de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De zaak hangt samen met een ontnemingszaak tegen dezelfde verdachte.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatieberoep wegens het niet indienen van een schriftuur binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 18/01020
Zitting: 12 februari 2019
(bij vervroeging)
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 3 februari 2017 door het gerechtshof Den Haag wegens “witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
De onderhavige zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (17/02304), waarin ik vandaag ook concludeer.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Er is geen schriftuur ingediend.
Op 23 april 2018 is de aanzegging uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte (zijn vriendin) op zijn BRP-adres ([adres 1] in [plaats]), waarbij is voldaan aan de BRP-controle. [1] Het in de cassatieakte vermelde adres van de verdachte komt overeen met zijn BRP-adres. Bij de stukken van het geding bevindt zich geen geschrift waaruit blijkt dat zich een raadsman heeft gesteld. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1º, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder a, Sv, rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Uit de aan de aanzegging gehechte ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 30 april 2018 volgt dat de verdachte op de dag van de uitreiking van de aanzegging op dat adres stond ingeschreven in de BRP. Deze houdt immers in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij met ingang van 14 juli 2014 stond ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats].