De verdachte werd door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden wegens het voorbereiden van het opzettelijk bereiden van amfetamine door het voorhanden hebben van diverse voorwerpen en stoffen bestemd voor dat doel op zijn perceel. Het hof stelde vast dat verdachte als bewoner van het perceel geacht wordt wetenschap te hebben van de aanwezigheid van de aangetroffen goederen, mede omdat deze deels in het zicht lagen en deels op plekken waar bewoners regelmatig komen.
De verdediging voerde aan dat de voorwerpen mogelijk door anderen waren achtergelaten en dat geen dactysporen van verdachte waren aangetroffen, maar dit werd door het hof niet aannemelijk geacht. Het hof benadrukte dat de hoeveelheid en aard van de aangetroffen chemicaliën en laboratoriumbenodigdheden, waaronder een substantieel volume BMK, wezen op voorbereidingshandelingen voor amfetamineproductie.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof dat verdachte wetenschap had van de bestemming van de voorwerpen niet onbegrijpelijk was en dat het middel van cassatie faalde. Er waren geen gronden voor vernietiging van het arrest. De zaak betreft een samenhangende procedure met een medeverdachte en betreft meerdere tenlasteleggingen, waaronder ook bedreiging en belediging, maar het cassatiemiddel richtte zich uitsluitend op het bewijs van wetenschap omtrent de amfetamineproductie.