ECLI:NL:PHR:2019:373
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaat en termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep van verzoeker tegen het vonnis in verzet van 24 augustus 2016 van de rechtbank Rotterdam. Verzoeker had eerder een verstekvonnis verkregen waarin verweerder werd veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor melkquotum. Dit verstekvonnis werd vernietigd in verzet en de vorderingen van verzoeker werden afgewezen.
Verzoeker heeft bij brief van 14 september 2018, ontvangen bij de Hoge Raad op 21 september 2018, een beroepschrift in cassatie ingediend. De Hoge Raad stelt vast dat het cassatieverzoek niet is ingediend en ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, hetgeen een vereiste is. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld dit te herstellen, maar heeft dit nagelaten.
Daarnaast was het juiste rechtsmiddel tegen het vonnis in verzet hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag, tenzij partijen overeenkwamen het hoger beroep over te slaan, wat niet het geval was. Bovendien was de termijn voor zowel hoger beroep als cassatie reeds ruimschoots verstreken. De Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaat bij de Hoge Raad, onjuist rechtsmiddel en termijnoverschrijding.