Conclusie
[eisers]en verweerders in cassatie gezamenlijk als
[verweersters]. Eisers sub 1 en sub 3, [eiser 1] en [eiseres 3] in persoon, duid ik verkort aan als
[eiser 1]en
[eiseres 3].
1.Feiten
B.V.). [eiseres 2] B.V. was eigenaar van de onroerende zaak gelegen te [A] (provincie Zeeland), bestaande uit een tweetal percelen grond met daarop drie bedrijfsloodsen en toebehoren (hierna:
de bedrijfspanden). In 1999 heeft [verweersters] een geldlening verstrekt aan [eiseres 2] B.V. en [A] B.V. (hierna:
de zakelijke lening). In dat verband heeft [verweersters] een hypotheekrecht verkregen op de bedrijfspanden. In de op 11 maart 1999 verleden hypotheekakte staat, voor zover relevant: [2]
de privélening) en daarvoor een hypotheekrecht verkregen op de privéwoning van [eiser 1] en zijn echtgenote [eiseres 3] (hierna:
de privéwoning). [3] De hypotheekverlening strekt tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank van [eiser 1] te vorderen heeft uit hoofde van verstrekte of alsnog te verstrekken gelden. Het hypotheekbedrag bedroeg € 350.000,00 exclusief rente en kosten. [4]
de herfinanciering). De bestaande hypotheekrechten – de hypothecaire inschrijving op de bedrijfspanden en op de privéwoning – strekten tevens tot zekerheid voor de herfinanciering.
2.Procesverloop
de rechtbank) en (na een wijziging van eis) gevorderd om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
het hof) in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 23 juli 2014 en het eindvonnis van 29 april 2015 van de rechtbank. [eisers] hebben in principaal appel twee grieven tegen de vonnissen geformuleerd en hun eis gewijzigd; [verweersters] heeft in incidenteel appel eveneens twee grieven tegen de vonnissen geformuleerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
opzeggingvan de leningen is gekomen). Het hof heeft blijkens het slot van rov. 3.3 onder meer in zijn overweging meegenomen dat [verweersters] na het opzeggen van de financieringen (ruim) anderhalf jaar heeft gewacht alvorens zij tot executie van de bedrijfspanden is overgegaan. Daarmee staat vast dat aan de executoriale verkoop een heel traject is voorafgegaan, waarbij [verweersters] [eisers] ter wille is geweest bij het vinden van een – in vergelijking met executoriale verkoop – voor hen minder bezwaarlijke oplossing. Zo heeft [verweersters] de executie van de bedrijfspanden meerdere malen uitgesteld om [eiser 1] , [eiseres 2] B.V. en (tot haar faillissement) [A] B.V. de kans te geven financiering elders te verkrijgen of de bedrijfspanden onderhands te verkopen, zodat uit de opbrengst daarvan [verweersters] volledig kon worden voldaan (zie hiervoor, 1.7, 1.8 en 1.11).
rechtmatigeopzegging van de leningen door [verweersters] geen verbetering hebben laten zien en [A] B.V. zelfs failliet was verklaard – vrij stond om over te gaan tot executie, is gelet op het voorgaande niet onvoldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.