Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Procesverloop
2.De feiten en het geschil
De feiten
X, ov. 31-38).
Schumacker-norm worden betrokken op het gezamenlijk inkomen van belanghebbende en zijn partner. Dat inkomen is ruimschoots voldoende voor het in aanmerking nemen van de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende in België:
K, ECLI:EU:C:2013:716, ov. 79). Dit zou slechts anders zijn indien de woonstaat het aan die staat toerekenbare gezinsinkomen in het geheel niet zou belasten, waardoor met de persoonlijke draagkracht aldaar geen rekening kan worden gehouden (HvJ 1 juli 2004, C-169/03, ECLI:EU:C:2004:403, Wallentin en HvJ 10 mei 2012, C-39/10, ECLI:EU:C:2012:282, Commissie/Estland), maar een zodanig geval is niet aan de orde.
3.De behandeling van het middel
mutatis mutandisvan toepassing op de vrijheid van vestiging. Het HvJ EU overwoog in
Jacob en Lennertz / België: [10]
Schumacker-jurisprudentie [11] oordeelde het HvJ EU dat ingezetenen en niet-ingezetenen bij directe belastingen in beginsel niet in dezelfde situatie verkeren, doch dat (toch) sprake is van discriminatie wanneer het werkland niet (kort gezegd) de
personal allowancestoekent aan een niet‑ingezetene die ‘het grootste deel van zijn inkomen en nagenoeg zijn gehele gezinsinkomen verwerft in een andere Lid-Staat dan de woonstaat’: [12]
De Groot [16] betrof een inwoner van Nederland die in 1994 inkomsten had verworven die deels ter heffing waren toegewezen aan Duitsland, Frankrijk en Engeland. In hetzelfde jaar betaalde hij een – in Nederland als persoonlijke verplichting aftrekbare – alimentatie aan zijn ex-echtgenote. In de andere landen werd met de alimentatiebetalingen geen rekening gehouden. De evenredigheidsbreuk bij de belastingreductie ter voorkoming van dubbele belasting leidt ertoe dat een evenredig gedeelte van de alimentatie toegerekend wordt aan het buitenlandse deel van het inkomen, zodat belanghebbende feitelijk een evenredig deel van de aftrekpost verliest. Hetzelfde geldt voor een evenredig deel van de belastingvrije som. Dit verlies is een gevolg van de omstandigheid dat De Groot gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer van werknemers. Het HvJ EG herhaalde dat de verplichting om de persoonlijke en gezinssituatie in aanmerking te nemen, slechts op de werkstaat rust wanneer de belastingplichtige zijn belastbaar inkomen geheel of nagenoeg geheel aldaar verdient en in de woonstaat geen inkomen van betekenis verwerft, zodat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die uit de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie voortvloeien. In dit geval kan de woonstaat dat wel, en deze moet dan ook waarborgen dat De Groot die voordelen wel onverkort verkrijgt. Het HvJ kwam tot het oordeel dat:
Jacob en Lennertz / Belgiëoordeelde het HvJ EU dat door de wijze waarop België de voorkoming van dubbele belasting berekent, waarbij vrijgestelde buitenlandse inkomsten pas achteraf van de belasting worden afgetrokken, belastingplichtigen een deel van de belastingvoordelen verliezen. Het HvJ EU oordeelde dat dit in strijd met artikel 45 VWEU Pro is: [17]
Schumacker-exceptievan toepassing is, geldt de verplichting die in het arrest
De Grootis geformuleerd, op de werkstaat. In de regel zal deze geen betekenis hebben, omdat de werkstaat niet de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleent. Maar in dit geval is Nederland in werkelijkheid weliswaar de werkstaat, maar door de keuze voor toepassing van de fictie van artikel 2.5 Wet IB 2001 wordt de belasting geheven alsof Nederland woonstaat is en moet Nederland wel die aftrek verlenen. Dat betekent ook dat de negatieve opbrengst uit eigen woning in een dergelijk geval niet in de teller van de voorkomingsbreuk mag worden opgenomen.
Gschwind [18] betrof een Duitse regeling die was ingevoerd na de HvJ EG-uitspraken
Schumackeren
Wielockx. Buiten Duitsland woonachtige belastingplichtigen kwamen in aanmerking voor toepassing van een gezamenlijke aanslag van echtgenoten en van het belastingtarief als voorzien in de “splittingsregeling” [19] indien het inkomen van beide echtgenoten ten minste 90% uit Duitsland afkomstig was, dan wel buiten Duitsland minder dan 24 000 DM werd verdiend. Die belastingplichtigen kwamen ook in aanmerking voor andere belastingvoordelen die aan ingezetenen werden toegekend op grond van hun persoonlijke en gezinssituatie. Die regeling was niet in strijd met het Unierecht, oordeelde het HvJ EG:
Schumacker-jurisprudentie in belanghebbendes geval Nederland als werkstaat niet verplicht de aftrek van de negatieve inkomsten uit de eigen woning toe te staan.
BNB2014/78, r.o. 6.2 [26] geoordeeld dat het Unierecht zich niet verzet tegen de door belanghebbende aangevallen toepassing van de ‘voorkomingsbreuk’ in een geval waarin de Schumacker-exceptie niet geldt.