ECLI:NL:PHR:2019:411
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens ontbreken cassatiemiddelen na veroordeling Opiumwet
De verdachte heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin hij was veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3, onder B, van de Opiumwet. Hoewel de aanzegging van het cassatieberoep geldig is betekend, heeft de raadsman van de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn.
Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk is in het cassatieberoep. De verdachte was door het hof veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt ertoe dat de Hoge Raad de niet-ontvankelijkheid van de verdachte bevestigt. Er is samenhang met andere zaken (17/05551 en 17/05552) waarin soortgelijke conclusies zijn gegeven.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.