Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter nadat hij en zijn raadsvrouw niet waren verschenen op de terechtzitting van 26 januari 2017. De verdachte stelde dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat de zitting niet zou plaatsvinden omdat hij bij de rechter-commissaris op 19 januari 2017 had aangegeven niet in te stemmen met de snelrechtzitting en niet op de hoogte was van de zittingsdatum. Het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep vanwege het te laat instellen van het beroep.
De AG overweegt dat termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen van openbare orde zijn en dat een termijnoverschrijding alleen verontschuldigbaar is bij bijzondere omstandigheden die de verdachte niet zijn toe te rekenen. De dagvaarding voor de zitting was tijdig en rechtsgeldig betekend. Het verzet tegen snelrecht bij de rechter-commissaris geeft geen gerechtvaardigd vertrouwen dat de zitting niet door zou gaan, omdat het intrekken van de dagvaarding een bevoegdheid is van het openbaar ministerie.
De AG concludeert dat het hof het oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Het cassatieberoep faalt en wordt geadviseerd te verwerpen. De zaak illustreert de strikte toepassing van termijnen en het belang van formele dagvaardingen bij snelrechtprocedures.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de termijnoverschrijding voor het hoger beroep niet verschoonbaar is.