Tegen dit vonnis is door [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam. Het hof heeft op dat hoger beroep beslist met arresten van 22 april 2014, 23 december 2014, 8 december 2015, 21 juni 2016 en 9 januari 2018. Bij zijn eindarrest heef het hof [A] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 190.000,— aan [eiseres] , vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De aan dat dictum ten grondslag liggende overwegingen en beslissingen van het hof kunnen als volgt worden samengevat:
a. [A] mocht er in beginsel op vertrouwen dat [eiseres] met de ondertekening van de beheerovereenkomst akkoord was met de inhoud daarvan en dat zij mitsdien het genereren van inkomen en vermogensgroei tot doel had en in het verlengde daarvan een rendement nastreefde van 4% + 2%, uitgaande van een beleggingshorizon van tenminste vijf jaar. [eiseres] heeft echter op goede gronden betoogd dat vermogensbehoud ook een doel was en dat daarmee in elk geval geen onevenredig hoge risico’s worden genomen ten koste van kapitaalbehoud en inkomenszekerheid en dat derhalve sprake is van een beperkte risicoacceptatie. Hiermee rijst voor het hof de vraag of de groeidoelstelling (met beoogd rendement van 2%) zich wel verdraagt met de inkomensdoelstelling en vermogensbehoud en een beperkte risicoacceptatie. Voor het geval dat niet zo is, is de vraag of [A] [eiseres] daar voldoende voor heeft gewaarschuwd (arrest van 22 april 2014 onder 3.6).
b. De waarschuwingen van [A] hebben zich beperkt tot de mededeling dat een rendement van 6% impliceert dat er ook risico’s worden gelopen, zoals verwoord in het beleggingsvoorstel (idem onder 3.7).
c. Of [A] hiermee had kunnen volstaan is, aldus het hof, deskundig onderzoek nodig naar de vraag of het door [A] geadviseerde en uitgevoerde beleid past bij de doelstelling (idem onder 3.8).
d. Bij een ontkennende beantwoording is de aansprakelijkheid van [A] gegeven. [A] had in dat geval [eiseres] er op moeten wijzen dat een additioneel rendement van 2% voor vermogensgroei niet past bij haar primaire doelstelling van een vast jaarlijks inkomen, kapitaalbehoud en een beperkte risicoacceptatie en haar moeten adviseren om haar doelstelling aan te passen en/of meer risico te aanvaarden, of een additioneel rendement van 2% vermogensgroei dienen te ontraden (idem onder 3.9).
e. Het betoog van [A] dat [eiseres] naar aanleiding van de verliezen niet heeft gevraagd om een ander beleid kan haar niet baten. [eiseres] is niet indringend gewaarschuwd en beschikte ook niet over een zodanig mate van deskundigheid en ervaring dat [A] geen waarschuwingsplicht had (idem onder 3.10).
f. De eigen kennis en kunde van [eiseres] en haar rol bij de totstandkoming van het beleggingsvoorstel en de beheerovereenkomst en de uitvoering daarvan kunnen wel een rol spelen bij de door [A] ingeroepen eigen schuld van [eiseres] . Van belang is ook dat het doelinkomen van € 90.000,— evident meer is dan 4% van het in beheer gegeven vermogen van € 1.723.319,96. Gesteld noch gebleken is dat [A] [eiseres] hierop indringend heeft gewezen. Anderzijds had [eiseres] zelf ook kunnen vaststellen dat 4% van het in beheer gegeven vermogen resulteert in een aanmerkelijk lager bedrag dan € 90.000,— en dat zij bij onttrekking daarvan zou interen op haar vermogen. De eigen schuld komt echter pas aan de orde indien de aansprakelijkheid van [A] is komen vast te staan (idem onder 3.11).
g. Het hof heeft bij arrest van 23 december 2014 een deskundige (hierna: de eerste deskundige) benoemd ter beantwoording van de volgende vraag:
‘Is de samenstelling van de portefeuille en het gevoerde beleggingsbeleid gedurende de relatie van vermogensbeheer, naar de destijds bekende kennis en verwachtingen omtrent de financiële markten en uitgaande van een beleggingshorizon van tenminste vijf jaar, geschikt voor het realiseren van een cashflow van 4% per jaar voor het genereren van inkomen en vermogensbehoud, uitgaande van een in beheer gegeven vermogen van € 1.723.319,96.’
h. De eerste deskundige heeft de hem gestelde vraag onvoldoende beantwoord. De (potentiële) geschiktheid van de portefeuille voor het doel bij aanvang en gedurende de beheerrelatie naar de destijds bekende kennis en verwachtingen omtrent de financiële markten, uitgaande van een beleggingshorizon van tenminste vijf jaar, is onderbelicht gebleven (arrest van 8 december 2015 onder 2.4).
i. Het hof heeft bij arrest van 21 juni 2016 opnieuw een deskundige (hierna: de tweede deskundige) benoemd.
j. De tweede deskundige heeft in zijn rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet welke onderzoeksmethodiek hij heeft gehanteerd en op welke gronden zijn conclusies steunen. De hem gestelde vragen heeft hij beantwoord en hij is binnen de vraagstelling gebleven (arrest van 9 januari 2018 onder 2.3).
k. Het hof neemt over de conclusie van de tweede deskundige dat het belang in ‘overige obligaties’ onvoldoende was. In totaal had het belang in ‘overige obligaties’ volgens de deskundige maximaal 25% mogen bedragen. De samenstelling van de portefeuille en het gevoerde beleggingsbeleid was wat betreft de ‘overige obligaties’ dus niet overeenkomstig de door [eiseres] aan [A] verstrekte opdracht. [A] is in zoverre toerekenbaar tekort geschoten in de uitvoering van de beheerovereenkomst en is aansprakelijk voor de dientengevolge door [eiseres] geleden schade. Het hof kan deze schade zelf begroten; verwijzing naar de schadestaat, zoals door [eiseres] gevorderd, blijft achterwege. Nu slechts een klein deel van de portefeuille niet juist was samengesteld, kan voor de schadeberekening niet aangesloten worden bij de door [eiseres] opgemaakte schadebegroting (arrest van 9 januari 2018 onder 2.4).
l. Voor de begroting van de door [eiseres] geleden schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie dat de portefeuille een belang van maximaal 25% in overige obligaties zou hebben gehad en de werkelijke situatie waarin dit belang veel groter was. Door het hof wordt de schade van [eiseres] begroot op een bedrag van € 190.000,— (arrest van 9 januari 2018 onder 2.5).
m. Het beroep van [A] op de eigen schuld van [eiseres] faalt. Omdat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat [A] [eiseres] ooit indringend heeft gewaarschuwd voor het risico van interen op eigen vermogen, ziet het hof geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht van [A] te verminderen in verband met de eigen schuld van [eiseres] (arrest van 9 januari 2018 onder 2.6).